Achter de feiten aanhollen

“Het is onmogelijk om te voorspellen hoe journalistiek zal evolueren onder invloed van nieuwe media. Elk academisch onderzoek loopt m.a.w. achter de feiten aan.” (student journalistiek  KU Leuven/Odisee, 2014)

Veranderingen in de journalistiek

1806726_media-internet-televisie-kranten-tijdschriften-radio

De doorbraak van nieuwe media beïnvloedt het dagelijks leven van iedereen die ermee in aanraking komt. Ook de sector van de journalistiek is dynamisch en heeft doorheen de tijd nieuwe vormen aangenomen doordat nieuwe technologieën beschikbaar werden. Oorspronkelijk werd nieuws enkel verspreid via gedrukte bladen. Dit evolueerde naar massaverspreiding en de toevoeging van klank en beeld doorheen radio en TV. Nu heeft het internet de journalistiek zo beïnvloed dat er een continue nieuwsstroom is waarbij het publiek uit een gigantisch aanbod kan kiezen wat en wanneer hij nieuws opneemt. Bovendien zijn professionele journalisten en uitgevers niet meer de enigen die nieuws kunnen verspreiden dat door een groot publiek gelezen zal worden. Burgers kunnen voor het eerst actief participeren in het proces van de nieuwsproductie. Bovendien kunnen zij in interactie treden met andere lezers, luisteraars en kijkers en zelfs met de subjecten van het nieuws (zoals politici) en de journalisten!

Kansen en risico’s van het tweerichtingsverkeer

Er wordt druk gediscussieerd over wat dit allemaal betekent en hoe de toekomst eruitziet. Worden we allemaal burgerjournalisten – is er een nieuw journalistiek tijdperk op komst? Dit zorgt voor een eerder ongeziene diversiteit aan perspectieven. Het opent de deur voor thema’s die anders niet in kranten zouden komen. Verder kunnen deze amateurjournalisten als correspondent fungeren voor beroepsjournalisten, wat de werklast kan verlagen. Anderzijds: kunnen journalisten hun brood nog wel verdienen als burgers hun werk blijven overnemen? Burgerjournalisten zijn niet bovendien gebonden door de beroepsdeontologie van journalisten, waarin onder andere het recht op privacy en menselijke waardigheid beschermd wordt. Stimuleren sociale media ramptoerisme? We kennen allemaal de files die ongevallen veroorzaken – vaak verergerd of zelfs grotendeels veroorzaakt door mensen die foto’s en video’s nemen. Ook de geloofwaardigheid is een heikel punt. Het is gemakkelijk om je online als iemand anders voor te doen, bijvoorbeeld als een getuige en zo valse of verbloemde informatie te verspreiden. Een Tweet is bovendien snel gemaakt en snel gedeeld. Voor je het weet verschijnt een bericht overal op het internet terwijl de oorspronkelijke bron verdwenen is in de massa. Kunnen we vertrouwen dat dit “nieuws” recht doet aan de werkelijkheid?

De kwaliteit van online nieuws

Technosceptici zien de kwaliteit van het nieuws achteruitgaan. Om te concurreren met anderen moet de pers online voor een continue nieuwsstroom zorgen. Wanneer iets gebeurt, verwacht het publiek onmiddellijk op de hoogte gehouden te worden – niet de volgende dag. Wanneer er zo kort op de bal gespeeld moet worden is er natuurlijk veel minder tijd om verschillende bronnen te zoeken en feiten te bevestigen. Nieuwsartikels worden korter en oppervlakkiger – en fouten kunnen voorkomen, die worden achteraf dan wel rechtgezet. Ethisch gezien kan dat voor professionele nieuwsagentschappen eigenlijk niet door de beugel. Zij staan immers in voor het informeren van het publiek. Deze informatie moet dan wel kloppen. Echter, onder tijdsdruk wordt de filtering en bevestiging van informatie die binnenkomt lakser. Er komen minder verschillende en/of moeilijker bereikbare standpunten aan het woord. Analyses en achtergronden, daar is eigenlijk geen tijd voor. Bovendien moeten de titels de mensen aanzetten tot klikken, wat sensatiezucht in de hand werkt.

Het toekomstbeeld van de journalistiek

www.dekritischebelegger.nlHoe gaat dit verder evolueren? Hebben we nieuwe richtlijnen nodig om online berichtgeving in goede banen te leiden? Moet burgerjournalistiek gefilterd worden door “professionelen”? Of is het juist wenselijk dat stemmen die anders niet gehoord worden, omdat ze door journalisten niet worden opgenomen, nu een platform hebben? Gaan nieuwe media de markt overnemen, waardoor traditionele media overbodig wordt? Worden persberichten steeds sneller, korter en vluchtiger? Of wordt het publiek verdeeld in zij die snel en onmiddellijk nieuws willen vergaren en zij die liever een beetje later een vollediger beeld voorgeschoteld krijgen? Kan de online nieuwsverspreiding gratis blijven?

Deze en andere vragen worden niet enkel gesteld door medewerkers uit de nieuwswereld, maar ook door academici. Er bestaat een overvloed aan onderzoeken over de impact van nieuwe media op journalistiek en op nieuwsverspreiding en –ontvangst, een selectie hiervan werden in de eerdere blogposts besproken. Echter, bij ieder onderzoek dat een uitspraak wenst te doen over de toekomst moet dezelfde belangrijke nuance gemaakt worden: we weten het eigenlijk nog niet. Ieder academisch onderzoek dat effecten meet kan dit slechts doen nadat ze hebben plaatsgevonden. Met andere woorden: zelfs de meest befaamde, intelligente, grondige onderzoekers kunnen slechts speculeren. De rest moet de toekomst uitwijzen.


Bronnen:

– Debat 19/12/2014 journalistiek KU Leuven/Odisee

– Afbeeldingen: chriskrastdoorblogland.blogspot.com en http://www.dekritischebelegger.nl

Worden papieren kranten werkelijk met uitsterven bedreigd?

Typisch voor verandering is dat dit wantrouwen opwekt. Dit is ook zo geweest sinds de komst van de nieuwe technologieën van de 21ste eeuw. Vooral “ervaren journalisten”, met andere woorden journalisten die al langer werken – met nog andere woorden: oudere journalisten die een minder groot deel van hun leven met nieuwe technologieën hebben gewerkt – lijken sceptisch ten opzichte van de meerwaarde van nieuwe media. Valt nieuwe media echter nog weg te denken? Gaat online nieuws de markt overnemen? Wordt de papieren krant in de toekomst overbodig?

Wat denken Belgische journalisten over sociale media?

In 2009-2010 en 2012 werd door Quadrant Communications een journalistenenquête uitgevoerd waarbij ongeveer 300 Belgische journalisten werden ondervraagd. Hieruit bleek onder andere dat slechts 5% van deze journalisten geen gebruik maakte van sociale media bij de uitoefening van hun beroep. In de onderstaande tabel kan je zien welke sociale media hierbij het vaakst en het minst vaak werden gebruikt (de respondenten konden meer dan één antwoord geven).

Resultaten studentenenquete

Paradoxaal genoeg vond 80% van de ondervraagde journalisten niet dat het gebruik van sociale media het werk verbeterde. Ze gebruiken het dus wel, maar niet omdat dit het werk bevordert. Het is mogelijk dat ze het gevoel hebben dat ze geen keuze hebben: sociale media zijn zo aanwezig in de samenleving dat ze het niet kunnen maken om het niet te gebruiken.

“This isn’t just a kind of fad of someone who’s an enthousiast of technology. I’m afraid you’re not doing your job if you can’t do those things.” (Peter Horrocks, BBC Global News Director)

Echter, een trend die voorzichtig werd vastgesteld bij Check Twice PR was wel dat het perspectief van journalisten positiever was geworden in 2012.

Vormt online nieuws een bedreiging voor gedrukte kranten?

Of de populariteit van online nieuws slecht is voor traditionele media is voorlopig onduidelijk. De meningen zijn verdeeld. Volgens 55% van de ondervraagde journalisten uit het onderzoek door Quadrant Communications gaan tablets gedrukte media nooit volledig vervangen. Een nipte minderheid (45%) gelooft wel dat dit uiteindelijk zal gebeuren.

Ik, samen met veel van mijn vrienden, medestudenten en zelfs professoren binnen de opleiding journalistiek lezen liever een papieren krant. Even in de zetel of aan de ontbijttafel de krant lezen is toch anders dan voor een schermpje zitten. Het is rustgevend, gezellig en doet je ogen niet wateren en je hoofd niet knetteren wanneer je langere tijd leest. Je hebt bovendien fysiek iets vast, wat zorgt voor een andere beleving. Online klik je van de ene link naar de andere en is alles een beetje sneller, vluchtiger en oppervlakkiger. Echter, komt onze voorliefde voor de papieren krant voort vanuit een soort nostalgie? Is deze “gezelligheid” intrinsiek? Of voelt een papieren krant als veilig en vertrouwd omdat we het kennen?

Een volgende vraag zou dan kunnen zijn: gaan computers ooit papier vervangen? Dit betwijfel ik nog sterker. En niet enkel omwille van weinig tastbare redenen zoals “het is aangenamer om een gedrukte tekst te lezen”. Een papieren tekst kan ook niet uitvallen. Je bent niet afhankelijk van een batterij of oplader of iets dergelijks. Een papieren tekst is licht en makkelijk mee te dragen. Op een papieren tekst kan je met de hand aanduidingen maken. Het is duidelijk: ik ben er niet van overtuigd dat een schermpje ooit papier kan vervangen.

Wat kunnen traditionele media doen om een plekje te behouden?

P1050153

Ik denk evenmin dat nieuwe media gaan verdwijnen. Dus moeten de oude en nieuwe media een manier vinden om naast elkaar te bestaan. Misschien kunnen ze elkaar zelfs versterken. “Nieuws” op sociale media kan een meerwaarde betekenen voor krantenartikels, zonder hiermee in concurrentie te gaan. Wat begint als een tweet of post eindigt vandaag steeds vaker als een krantenartikel, zoals in het voorbeeld uit De Morgen hierboven (18/12/2014, p.17).

Nieuwe media is veel sneller dan traditionele media. Maar kranten kunnen dan weer toevoegen aan het nieuws door bijvoorbeeld antwoorden te verschaffen op vragen zoals “hoe” en “waarom”. De meeste lezers vinden het niet erg als wat ze reeds op sociale media lazen nog eens terugkomt in de krant. Hierbij moet binnen redacties wel opgepast worden voor een te krampvastig vasthouden aan het idee van: “wij moeten ten alle koste per uitgave x aantal waarom-artikels schrijven”. Dit kan leiden tot geforceerde artikels.

Een tweede mogelijkheid is dat traditionele media ander nieuws moeten leveren. Lezers zouden zich kunnen bedenken dat ze niet willen betalen om in de krant te lezen wat ze al gratis online hebben vernomen. Hiertoe moeten er echter tijd en middelen worden vrijgemaakt zodat journalisten kunnen graven naar ander nieuws. Tijd is vaak hetgeen dat tekort schiet. Geld ook, trouwens. Niettemin ziet Yves Desmet van De Morgen een investering in onderzoeksjournalistiek als dé stap die kranten kunnen maken om te blijven “meedraaien”.

“Als je als nieuwsmedium wil meedraaien in de snelle 24 uur durende nieuwsmachine, moet je investeren in journalistieke diepgang. Daarmee kan je het verschil maken.” (Yves Desmet, De Morgen)

Meer analyserende en diepgravende artikels in kranten, dat is dus de boodschap!


Bronnen:

Our way or the highway

Ik wil het graag even hebben over het woordgebruik in mijn vorige blog. Wanneer we denken aan een digitale kloof, worden er twee groepen gecreëerd: de “haves” en de “have-nots”. Hierbij worden er twee tegenovergestelde categorieën tegenover elkaar gezet. Het probleem is dat dat weinig ruimte laat voor nuances, complexiteit of contextuele elementen.

Verder hebben we (oké, ik) tot nu toe de veronderstelling gemaakt dat één van deze posities wenselijker is dan de andere. Ik heb dus een normatief oordeel geveld en deze heb ik bovendien voorgesteld als vanzelfsprekend. Deze denkwijze wordt nog riskanter wanneer we het globaal gaan toepassen en kijken naar “het Westen” en “het Noorden”, waarin nieuwe media toegankelijker is dan in “het Oosten” en “het Zuiden” en automatisch veronderstellen dat het onze het streefdoel dient te zijn voor het hunne.

Etnocentrisme: een ver-van-mijn-bed-show?

Ik vind het moeilijk om mezelf als etnocentrisch te beschouwen, maar soms betrap ik mezelf toch op het wij-zij denken waar ik het in deze blog over wil hebben. Volgens Van Ginneken (2002) is dit niets om me voor te schamen – etnocentrisme zit in ons hoofd. Het is universeel. Het is één van de methodes die wij gebruiken om een zekere structuur aan te brengen in de chaotische wereld om ons heen. Samengevat gaat het over de creatie van een polariteit tussen onze eigen groep en “de anderen”, waarbij we onszelf zien als belangrijker, beter en juister.

Voorbeeld: in de populaire TV-serie “Lost” wordt er enkel naar het dreigende vijandsbeeld verwezen als “the others”.

De subjectiviteit van West en Noord, Oost en Zuid

Dit etnocentrisme wordt ook gereflecteerd in schijnbaar onschuldige woorden van ons taalgebruik. Zo zijn “noordelijke” en “westelijke” landen niet op natuurlijke wijze vastgelegd. Wij hebben dit, als mensen, zelf gekozen bij het tekenen en verspreiden van de wereldkaart. Er bestaan verschillende versies van wereldkaarten, die ook andere vormen van etnocentrisme tonen, maar in de (ons) bekendste wereldkaarten kan westers etnocentrisme worden teruggevonden. Onze kijk op de wereld is met andere woorden subjectief – en er bestaan nog veel andere perspectieven.

“De noordelijke landen staan bovenaan: ze worden letterlijk voorgesteld als ‘superieur aan de Zuidelijke landen, zo heet het, zij ‘domineren’ ze. De ‘meest ontwikkelde’ landen worden vaak links bovenin of midden bovenin geplaatst, hetgeen ze een soort ‘natuurlijk primaat’ lijkt te geven binnen die culturen die van boven naar onder en van links naar rechts lezen” (Van Ginneken, 2002)

    672.120_Wereldkaart_Staatkundig_MercatorWereldkaart_435_Lowres_0Wereldkaart_433_Lowres

Van Ginneken (2002) geeft nog andere voorbeelden, zoals de plaatsing van de nulmeridiaan, “het middelpunt” met “het nuluur”, in Engeland. Dit is op geen enkele manier natuurlijk bepaald. Mensen hebben dit gekozen. We maken bovendien subjectief gebruik van de termen West en Oost. Als de nullijn in Engeland ligt, hoort het grootste deel van Europa bij het Oosten, terwijl dat nooit op deze manier gezegd wordt – “het Oosten” is gereserveerd voor “hun”, niet voor “ons”. Bijklanken die we toeschrijven aan “het Oosten” zijn vaak woorden zoals overbevolkt, oud, donker, conservatief, sinister; wanneer we denken aan “ons” in “het Westen” denken we aan demogratisch, progressief, nieuw, verlicht, ruimdenkend (Van Ginneken, 2002).

Een ander voorbeeld van etnocentrisme vanuit het westen is door het rangschikken van rijke en arme landen als “eerste-”, “tweede-“ of “derdewereldlanden”. Er wordt een hiërarchie gebruikt bij termen als eerste, tweede, derde, … . Anders gezegd is de eerste wereld hoogontwikkeld en de derde wereld moet nog ontwikkelen (de tweede wereld zweeft ergens tussenbeide). We noemen deze derdewereldlanden dan ook “ontwikkelingslanden”.

Alternatieve termen

einclusion.hu

Dit is een patroon dat gevaarlijk dichtbij komt wanneer we spreken van in-group en out-group of haves en have-nots. Een alternatief is om te spreken van een continuüm van verschillende toegangsniveaus tot technologie. Wij, in het (zogenaamde) Westen, bevinden ons aan de “informatierijke” kant van het continuüm. Op globaal niveau is er een duidelijke ongelijkheid in de toegang tot informatietechnologie. Zo waren er in 2009 minder mensen van het Afrikaanse continent (waar bijna een biljoen mensen wonen) een internetabonnement dan in Frankrijk (met ongeveer 66 miljoen inwoners). In mijn vorige post hield ik een betoog voor het bevorderen van de toegang tot technologie in andere, vaak armere, landen. Technologie belichtte ik voornamelijk als catalisator voor sociale, politieke en/of economische veranderingen. Een valkuil hierbij is om deterministisch te gaan denken. Is onze manier de enige manier? Is technologie een noodzakelijke voorwaarde voor verandering?

Er moet steeds ruimte zijn voor nuancering. Zo bestaan er ook informatie want-nots. En dan heb ik het niet alleen over mijn grootmoeder. In plaats van de termen haves en have-nots, die normatieve implicaties hebben en de indruk geven van een simplistische wit-zwart situatie, kunnen we bijvoorbeeld spreken over technologische “zones van stilte” (Potter, 2006).


Bronnen

– Ganesh, S. & Barber, K.F. (2009). The silent community: Organizing zones in the digital

divide. Human Relations, 62(6), 851-874.

– Gunkel, D.J. (2003). Second thoughts: Toward a critique of the digital divide. New

Media & Society, 5(4), 499-522.

– James, J. (2005). The global digital divide in the Internet: Developed countries

constructs and Third World realities. Journal of Information Science, 31(2), 114-123.

– Potter, A.B. (2006). Zones of silence: A framework beyond the digital divide. First

Monday, 11(5), opgehaald van

http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/1327/1247

– Sassi, S. (2005). Cultural differentiation or social segregation? Four approaches to the

digital divide. New Media & Society, 7(5), 684-700.

– Servon, L.J. (2002). Bridging the digital divide: Technology, Community and Public

Policy. Malden, M.A.: Blackwell Publishing.

– Van Ginneken, J. (2002). De schepping van de wereld in het nieuws. De 100 vertekeningen die elk 1 percent verschil makn. Deventer: Kluwer.

– Afbeeldingen: http://www.kaartenenatlassen.nl, http://www.einclusion.hu

De digitale in-group en out-group

swwong1986.blogspot.com digital divide

“Exclusion occurs when individuals or social groups are left behind or do not benefit from equal opportunities to achieve societal goals” (Digital Inclusion Team, 2007)

De vorige posts op deze blog gingen voornamelijk over wat de impact van nieuwe media kan zijn voor mensen die hier gebruik van maken. Ik keek hiernaar door de ogen van iemand met bepaalde privileges. Ten eerste heb ik toegang tot nieuwe media – ik heb mijn eigen laptop, een bibliotheek vol met computers in het geval dat deze de geest geeft, en internetverbindingen in mijn onmiddellijke omgeving. Ik heb ook de kennis en capaciteiten meegekregen om hier gebruik van te maken. Voor mij is dit allemaal vanzelfsprekend. Voor jou waarschijnlijk ook. Het is gemakkelijk om hierbij een grote groep over het hoofd te zien, een groep waar wij niet rechtstreeks mee in aanraking komen omdat zij niet aanwezig zijn in de digitale wereld. Hun stem ontbreekt in globale online discussies, want zij zijn niet online.

E-ongelijkheden als sociale ongelijkheden 

Ik heb het natuurlijk niet enkel over degenen die niet willen online zijn – mijn oma bijvoorbeeld heeft hier geen boodschap aan. Zij weet wat mogelijk is en kiest ervoor hier niet aan te participeren. Sommige mensen kunnen deze keuze niet maken – of worden in deze keuze beperkt. Dimaggio en Hargittai (2001 merkten reeds 14 jaar geleden verschillende ongelijkheden op tussen groepen met betrekking tot nieuwe media. Samengevat hadden zij het over vijf mogelijke bronnen van ongelijkheid:

  1. Technologische middelen (inequality of bandwidth)
  2. Autonomie (whether users log on from home or at work, monitored or unmonitored, during limited times or at will)
  3. Capaciteiten (knowledge of how to search for or download information),
  4. Sociale ondersteuning (access to advice from more experienced users)
  5. Doelen (whether they use the internet for increase of economic productivity, improvement of social capital, or consumption and entertainment)

Wanneer we door een sociologische bril kijken naar deze ongelijkheid kan digitale exclusie gezien worden in het verlengde van sociale exclusie in een samenleving. In Marokko zijn bijvoorbeeld ongeveer 20% van de mensen tussen 19 en 24 jaar ongeletterd. Ongeletterdheid is typisch voor mensen van het platteland. Er is een socio-economische kloof tussen deze mensen en de stadsbevolking. Digitale exclusie kan reeds bestaande sociale ongelijkheden (op basis van onder andere geslacht, ethniciteit, leeftijd, opleiding, tewerkstelling, inkomen, woonsituatie, geografische locatie, handicaps, …) in stand houden en zelfs versterken (Helsper, 2008). Een groep die digitaal achtergesteld is kan niet op dezelfde manier gebruik maken van nieuwe technologieën als geprivilegieerden. Groepen met een sterkere positie in de samenleving kunnen zo gebruik maken van nieuwe media voor vooruitgang, terwijl anderen achterblijven.

E-inclusie door de overheid

E-inclusie kan dan weer leiden tot sociale inclusie door in te zetten op toegang tot technologie, maar ook op bijvoorbeeld de capaciteiten en sociale ondersteuning. Hierdoor kan een groep een betere positie verwerven binnen de economie en de knowledge society. E-inclusie kan met andere woorden een emanciperend effect hebben (Fischer, 2007). Sommige auteurs, zoals Weerakkody et al. (2012) spreken om deze redden niet graag van een “digital divide”, omdat dit de indruk geeft dat deze divide statisch en onveranderlijk is – wat niet waar is.

De “digitale kloof” of digital divide is één van de belangrijkste uitdagingen voor overheden die het gebruik van nieuwe media bij hun burgers overzien (Dimaggio & Hargittai, 2001). Volgens verschillende auteurs (zoals Al-shafi & Weerakkody, 2010 en Wang & Emurian, 2005) nemen steeds meer overheden ook stappen om betere en gemakkelijkere toegang te verschaffen tot nieuwe media. Dit wordt bevorderd door goedkope oplossingen zoals mobiele technologie, digitale TV en sociale media (Weerakkody et al., 2012). In Europa is e-inclusie bijvoorbeeld één van de drie pilaren van de i2010 (inclusion) strategic plan (Helbig et al., 2009).

“The European strategy is to ensure that the benefits of the information society can be enjoyed by everyone, including people who are disadvantaged due to limited resources or by education, age, gender, ethnicity, disability, and location” (i2010 European Strategic Plan, 2007).

Hierdoor kan de digital divide worden getransformeerd tot digital opportunity. In dit hoopvol toekomstbeeld worden de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën niet alleen toegankelijk voor alle bevolkingsgroepen, maar wordt er speciale aandacht besteed aan degenen die het minste hebben – en dus het meeste kunnen winnen van zo’n situatie (Weerakkody et al., 2012). Zij worden hierbij toegelaten en wegwijs gemaakt in de knowledge society (Kaplan, 2005).

Ondanks deze beloften heeft dit process van e-inclusie in sommige landen niet plaats gevonden. Bentivegna en Guerrieri (2010) stelden zelfs vast dat de digitale kloof in sommige landen verbreedt.

Wordt vervolgd…


Bronnen

Bentivegna, S., & Guerrieri, P. (2010). Analysis of e-Inclusion impact resulting from advanced RandD based on economic modelling in relation to innovation capacity, capital formation, productivity and employment. Brussels, Belgium: European Commission.

Digital Inclusion Team. (2007). The digital inclusion landscape in England: Delivering social impact through information and communications technology. London: Digital Inclusion Team.

DiMaggio, P., Hargittai, E., Celeste, C., & Shafer, S. (2004). Digital inequality: From unequal access to differentiated use. In K. Neckerman (Ed.), Social inequality (pp. 355–400). New York: Russell Sage Foundation.

Helbig, N., Ramón Gil-García, J., & Ferro, E. (2009). Understanding the complexity of electronic government: Implications from the digital divide literature. Government Information Quarterly, 26(1), 89–97.

Helsper, E. J. (2008). Digital inclusion: An analysis of social disadvantage and the information society. London: Department for Communities and Local Government.

i2010 European Strategic Plan (2007). i2010 – A European information society for growth and employment. Afgehaald van http://ec.europa.eu/information_society/eeurope/i2010/index_en.htm

Kaplan, D. (2005). E-Inclusion: New challenges and policy recommendations. Brussels, Belgium: eEurope Advisory Group.

Vishanth Weerakkody , Yogesh K. Dwivedi , Ramzi El-Haddadeh , Ahlam Almuwil & Ahmad Ghoneim (2012). Conceptualizing E-Inclusion in Europe: An Explanatory Study, Information Systems Management, 29:4, 305-320, DOI: 10.1080/10580530.2012.716992.

http://swwong1986.blogspot.com (afbeelding)

Is online activisme een excuus voor luie mensen om eigenlijk niets te doen?

Door middel van nieuwe media kan er ook bottom-up geparticipeerd worden. Dit betekent dat iets vertrekt van “beneden”, bijvoorbeeld bij burgers of personeel, waarna het ergens “bovenaan” terecht komt, bijvoorbeeld bij hoogstaande politieke figuren of bij de directie van een bedrijf. Wanneer dit gebeurt via het internet noemen we dit “e-participatie”. Niet iedereen is echter overtuigd dat online participatie leidt tot offline resultaten zoals politieke of sociale verandering. De online politieke activiteiten, of “slacktivism” zouden eerder dienen om de participanten zich even goed te laten voelen over zichzelf (Morozov, 2009).

E-participatie voor politieke inspraak

Een belangrijke vorm van e-participatie is wanneer het internet gebruikt wordt voor het verhogen van politieke participatie. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeenschapsnetwerken die lokale initiatieven trachten te versterken, of door burgers met hun politieke vertegenwoordigers in contact te brengen. Op deze manier kan er gemeenschapsinformatie worden opgebouwd vanuit de gemeenschap zelf.

“Burgers zijn anno 2011 mondiger en door de komst van web 2.0 applicaties zoals wiki’s, online sociale netwerken en blogs is er de mogelijkheid voor burgers om op verschillende manieren met elkaar en de overheid in contact te komen en op interactieve wijze te communiceren en te participeren.” (Donders, 2011)

Uit het onderzoek van Donders (2011) bleek dat e-participatie aanvullend werd gebruikt op ‘traditionele’ burgerparticipatie. Deze combinatie van online en offline activiteiten is volgens hem de juiste. Hij bevindt zich als onderzoeker dus in een eerder relativerende middenpositie, ergens tussen theofielen en technofoben in. Over deze posities vind je meer in de blogposts “mediagebruik door jongeren: technofielen versus technofoben” en “media en macht hand in hand”. Een voorbeeld van een platform voor e-participatie vind je op de volgende link: Blacksburg Electronic Village.

Het internet wordt ook door belangengroeperingen en sociale bewegingen gebruikt om campagnes te voeren en leden te rekruteren. Een voorbeeld van zo’n e-mobilisatie is Environmental Defense, een milieugroepering – bekijk hun online activiteiten met het oog op e-mobilisatie hier.

Online activisme voor democratisering

Politieke e-participatie en e-mobilisatie hoeven echter niet altijd hand in hand te gaan met de gevestigde autoriteiten… De mogelijkheden tot e-participatie en e-mobilisatie worden ook gebruikt in landen waar burgers (tevergeefs) streven naar een meer democratische samenleving. Dankzij nieuwe media kunnen zij hun mening uiten, met gelijkgezinde activisten in contact komen, zich organiseren en nieuwe leden rekruteren. Bovendien hoeven zij zich niet te beperken tot rekruten uit hun eigen regio. De groei van nieuwe informatie- en communicatietechnologie is een onderdeel van een bredere trend, de “globalisering”. De globalisering leidt tot het gemakkelijker ontvangen én versturen van informatie over/naar de hele wereld.

“Globalization means that if someone in China sneezes, someone in Toronto may one day catch a cold” (Huang & Leung, 2005)

Tweeting for change

Dankzij globalisering kunnen burgeractivisten uitreiken naar de hele (online) wereld. Zo hebben de volgende tweets mij in België bereikt en ongetwijfeld ook duizenden (of miljoenen?) anderen.

Capture capturetweet capturetweethrw hrw tweet HRW tweets 1 HRW tweets Hrwtweet tweet TWEetHRW tweethrwca tweethrwz Tweets HRW

SLACKtivisme

Echter, is e-participatie een illusie? Volgens sceptici krijgen mensen door een online nieuwsbericht te delen, erover te praten of door het te liken het gevoel dat ze meehelpen. Maar eigenlijk heeft dit in de praktijk geen uitwerking – en misschien kan dat deze likers ook weinig schelen wanneer het erop aankomt. Anders zouden ze toch meer doen? Deze critici spreken van slacktivism in plaats van activism.

“Internet activities have been criticized for being slacktivism, where the real life impact of the activities is limited; the main effect is to enhance the feel–good factor for participants.” (Christensen, 2011)

Christenen (2011) besluit dat het onmogelijk is om een een consistente impact op internetcampagnes op besluitvorming te bewijzen – maar dat er evenmin bewijs is van het tegenovergestelde. Hij stelde in zijn onderzoek wel vast dat e-participatie een positieve invloed kan hebben op offline participatie – iets dat ons allemaal hoop kan geven. Niet alle e-participanten nemen de doelen die ze online “steunen” serieus. Dit hoeft online activisme echter niet te ontdoen van de waarde die het wel soms kan hebben.


Bronnen

Christensen, H.S. (2011). Political activities on the Internet: slacktivism or political participation by other means? Peer-reviewed journal op  http://firstmonday.org/ojs/index.php/fm/article/view/3336/2767, geraadpleegd op 30 december 2014.

Donders, M.E.J. (2011). eParticipatie: de ‘traditionele’ discussieavond voorbij? Onuitgegeven masterproef: Universiteit Utrecht.

Huang, Y. & Leung, C.C.M. (2005). Western-Led Press Coverage of Mainland China and Vietnam during the SARS Crisis: Reassessing the Concept of ‘Media Representation of the Other’. Asian Journal of Communication. Vol. 15, No. 3, November 2005, pp. 302 – 318.

Morozov, E. (2009). “The brave new world of slacktivism,” Foreign Policy (19 May), op http://neteffect.foreignpolicy.com/posts/2009/05/19/the_brave_new_world_of_slacktivism, geraadpleegd op 23 november 2010.

http://notenoughgood.com/2013/03/slacktivism/ (afbeelding “click here to save the world”)

http://www.hrw.org/news/2014/12/22/top-human-rights-tweets-2014 (afbeeldingen “tweets”)

Media en macht hand in hand

What is emphasized by the media is given emphasis in public perception; what is emphasized by the media is enlarged in public perception” (Watson, 2003)

De media wordt ook wel eens de vierde macht genoemd, omwille van hun grote bereik en impact in de samenleving. Dit werd reeds 100 jaar geleden opgemerkt, toen de media een grote rol speelde in het verspreiden van propaganda voor de Sovjet-Unie en Duitsland tijdens de wereldoorlogen (McQuail, 1998). Men stelde vast dat de media de macht had om bijna iedereen te bereiken en dat het publiek bovendien sterk beïnvloedbaar was door wat ze hierin te lezen, zien of horen kregen (McQuail, 1998). Door de mogelijkheden van nieuwe media voor “kleine”, “alternatieve” of “minder machtige” stemmen om boodschappen te verspreiden wordt deze vierde macht plots een meer gefragmenteerde macht.

Nieuwsmedia vormen ons wereldbeeld

Één van de redenen waarom mensen de media volgen is om informatie te vergaren en om meningen te vormen, bijvoorbeeld door politieke debatten te volgen voor de verkiezingen (Watson, 2003). Het verschijnen in de media van een nieuwsitem is vaak de eerste stap voor het vormen van een publieke opinie over een bepaald thema (McCombs & Reynolds, 2002). De manier waarop de mediavoorstelling gebeurt kan een grote invloed hebben op het beeld dat mensen hiervan vormen en voor het publieke discours hierover (Grabowsky & Wilson, 1989). Dit is zeker het geval bij feiten waar de meeste mensen geen rechtstreekse of persoonlijke ervaring mee hebben. Sociale problemen, zoals bijvoorbeeld criminaliteit, zijn zeer complex. Om wegwijs te raken doorheen deze problemen, baseren mensen zich op de informatie die voor hen beschikbaar is. Bij gebrek aan rechtstreekse informatiebronnen worden percepties en attitudes gebaseerd op informatie uit secundaire bronnen zoals de media. Dit sluit aan bij “de cultivatietheorie”, dewelke vooropstelt dat mediabeelden de dominante ideologieën en percepties in de samenleving cultiveren of opbouwen (Watson, 2003).

Op welke manier geeft dit de mensen achter de media macht?

AgendasettingModel van “the agenda-setting process” door Rogers en Dearing (1988)

De media hebben de macht om van een incident een groot schandaal te maken dan wel om het te laten overwaaien (Grabowsky & Wilson, 1989). Thema’s van de media-agenda die de publieke agenda hebben bereikt kunnen doorstromen naar de politieke agenda (McCombs & Reynolds, 2002). Met andere woorden: als het publiek veel belangstelling heeft voor een thema kan deze belangstelling doorsijpelen naar beleidsmakers (Berns, 2004). Dit wordt ook wel “political agendasetting” genoemd. Ter illustratie kan gekeken worden naar de extensieve aandacht die gegeven werd aan het jonge slachtoffer Megan Kanka, die in 1994 in de VS vermoord werd door een seksuele delinquent, wat uiteindelijk leidde tot een nieuwe wet die naar haar genoemd werd, “Megan’s Law”.

Selectie en framing

Informatie die wordt doorgegeven is nooit neutraal, al is objectiviteit wel een streefdoel van veel journalisten. Objectiviteit is ook iets dat de lezers/kijkers/luisteraars en politici verwachten van nieuwsmedia (Bennett, 2006). Echter, mediarapportage is noodzakelijkerwijze selectief. Er kan niet worden gerapporteerd over alles dat plaatsvindt (Grabosky & Wilson, 1989). Er worden keuzes gemaakt, wat objectiviteit uitsluit. Bepaalde informatie wordt geselecteerd en vervolgens op een bepaalde manier gepresenteerd of geframed.

“Framing is het proces waarbij een frame enerzijds bij de productie van een nieuwsbericht aangeeft welke elementen uit waargenomen realiteit te selecteren, uit te sluiten, te benadrukken of aan te vullen, en anderzijds de ontvangers van context en betekenissuggestie voorziet” (Van Gorp, 2006)

Wanneer een lezer een krantenartikel onder ogen krijgt, zal dit artikel zijn aandacht op bepaalde aspecten richten. Berns (2004) vergelijkt dit met een gids die toeristen begeleidt bij het bezoeken van een stad. De toeristen kunnen rondgeleid worden door gids Anna, die de nadruk legt op toeristische trekpleisters en indrukwekkende monumenten. Ze kunnen diezelfde dag, op diezelfde locatie, een rondleiding volgen bij gids Bert. Gids Bert legt de focus op de extreme verschillen in klasse tussen armoede en rijkdom in de stad. Op een gelijkaardige  manier dat men een ander beeld zou hebben van de stad afhankelijk van hun rondleiding door Anna, dan wel door Bert, kan de presentatie van een sociaal probleem in de krant de aandacht van de lezer richten en diens  beïnvloeden. Framing is, net als selectie, onmogelijk te vermijden bij berichtgeving. Dit geldt zowel op het niveau van de verzending van de boodschap als op het niveau van de ontvangst (Watson, 2003).

Machtsverschuiving

Een terugkerend kenmerk van het media-discours is dat bepaalde groepen meer dan anderen een invloed hebben op welke boodschap op welke manier wordt verzonden. Deze machtige groepen zijn de (economische en politieke) elite van de meest (invloed)rijke – met andere woorden “Westerse” – landen (Huang & Leung, 2005). Zij krijgen in de pers de kans om een goede reputatie op te bouwen, waardoor de kloof tussen hen en minder machtigen vergroot.

MAAR!

Dankzij nieuwe technologie krijgen individuen met toegang tot deze technologie de mogelijkheid om zich online uit te drukken. Het monopolie van massamedia, de overheid en grote bedrijven wordt hiermee doorbroken. Met andere woorden: er stroomt macht weg van het hiërarchisch centrum naar de rest van het volk. Deze verschuiving opent deuren (al staat de grootte van de kier ter discussie). Dit is vooral van belang in landen waar de machtskloof tussen bijvoorbeeld de overheid en de bevolking het grootst is. Amir-Ebrahimi zei bijvoorbeeld het volgende over de internetontwikkelingen in Iran (2005):

“In Iran where the public sphere is closely monitored and regulated by traditional and state forces, the internet has become a means to resist the restrictions imposed on these spaces. For people living in these countries, especially the marginalized groups such as youth and women, the internet can be a space more ‘real’ than life”

Of is deze machtsverschuiving een illusie?

Utopisten geloven dat nieuwe media deze kloof kan helpen overbruggen. Volgens hen heeft online activisme geleid tot nieuwe vormen van samenwerking, overleg en erkenning die anders niet tot stand zouden zijn gekomen. Meer gematigde optimisten zien on-line activisme als een aanvulling op traditioneel activisme dat nooit alleen kan staan. Een derde positie die wordt ingenomen is dat de sociale en politieke impact van on-line activisme een illusie is. De impact van on-line activisme wordt gezien als zeer beperkt tot onbestaande. Er zijn dan wel voorbeelden te noemen waar online activisme schijnbaar een impact heeft gehad, zoals de Arabische Lente en de protesterende bloggers en “twitter-opstand” na gecontesteerde verkiezingen in Iran in 2009. Maar er valt niet te bewijzen hoe deze situaties zich zouden hebben ontvouwd zonder sociale media.


Bronnen

Bennett, W. L. (2006). News, the politics of illusion. New York: Longman.

Berns, N. (2004). Framing the victim: Domestic violence, media, and social problems. Hawthorne, New York: Aldine de Gruyter.

Grabowsky, P. &Wilson, P. (1989). Journalism & Justice: How crime is reported. Leichhardt: Pluto Press Australia Limited.

Huang, Y. & Leung, C.C.M. (2005). Western-Led Press Coverage of Mainland China and Vietnam during the SARS Crisis: Reassessing the Concept of ‘Media Representation of the Other’. Asian Journal of Communication. Vol. 15, No. 3, November 2005, pp. 302 – 318.

McCombs, M. & Reynolds, A. (2002). News influence on our pictures of the world. In Bryant, J. & Zillman, D. (ed.). Media Effects. Lawrence Erlbaum Associates, Mahwah, NJ, pp. 1-16.

McQuail, D. (1998). Mass Communication Theory: An Introduction. London: SAGE Publications Ltd.

Rogers, E.M., & Dearing, J.W. (1988). Agenda-setting research: Where has it been? Where is it going? In: Anderson, J.A. (Ed.). Communication yearbook 11 (555-594). Newbury Park, CA: Sage.

Van Gorp, B. (2006). Framing asiel: indringers en slachtoffers in de pers. Leuven: Acco.

Wikileaks: arena van de oorlog om informatie

The first serious infowar is now engaged. The field of battle is WikiLeaks. You are the troops.” (Barlow op Twitter)

Wikileaks (klik hier om de site te bekijken) werd in 2007 opgericht door Julian Assange. Het is een uitlaatklep voor klokkenluiders, een verzamelplaats voor “geheim, gecensureerd of op andere manier ontoegankelijk materiaal dat politiek, diplomatisch of ethisch belang heeft”. De beheerders, waaronder Assange, screenen op voorhand wat er wordt geplaatst, zodat enkel betrouwbare documenten worden gepubliceerd. Zij maken gebruik van de nieuwe technologie van de “wiki”, waarop interactief een database kan worden samengesteld door gebruikers over de hele wereld.

Het wiki wiki web

De wiki werd gecreëerd door Cunningham in 1995. Een wiki, zoals gebruikt voor onder andere Wikipedia en Wikileaks, is een applicatie waarop webdocumenten gezamenlijk kunnen worden bewerkt. Gebruikers kunnen pagina’s toevoegen of bestaande pagina’s aanvullen of wijzigen. Alle deelnemers bewerken dezelfde tekst – maar het is wel zichtbaar wie wat heeft gedaan. Op deze manier wordt kennis van allerlei mensen op één plaats gebundeld. Er bestaan verschillende niveaus van “openheid”: sommige wiki’s zijn compleet open, waarop eender wie eender wanneer kan posten. Je hebt ook bijvoorbeeld wiki’s waarop de basis eerst wordt gemaakt door journalisten, waarna het publiek hier voor een beperkte tijd aanpassingen kan aanbrengen. Dit heet een ‘second draft’ wiki (Bradshaw, 2007).

Hactivism

Anderson (2010) ziet een nieuwe trend sinds de doorbraak van het internet, een trend die hij journalistic hacktivism noemt. Hactivism betekent dat er wordt ingebroken in een computersysteem om een sociaal of politiek doel te bereiken. In dit perspectief ziet hij Indymedia (klik hier om de website te bekijken) als de voorloper op Wikileaks. Op Indymedia werden foto’s en getuigenissen van burgers geplaatst, vlak nadat iets had plaatsgevonden. Sinds 2000 had de website ook een Belgische tak. Het gebruik van data aangebracht door burgerjournalisten is in het laatste decennium ook doorgebroken bij professionele nieuwsorganisaties. De stap die hierna gezet werd was dat steeds meer burgers gebruik maakten (en maken) van de interactieve mogelijkheden van het internet om zelf aan burgerjournalistiek te doen – onder andere via Wikileaks.

Wat is Wikileaks?

“We provide an innovative, secure and anonymous way for sources to leak information to our journalists (our electronic drop box). One of our most important activities is to publish original source material alongside our news stories so readers and historians alike can see evidence of the truth. We are a young organisation that has grown very quickly, relying on a network of dedicated volunteers around the globe.” (www.wikileaks.org, 20/12/2014)

Op Wikileaks wordt bewijs verzameld en gepubliceerd van illegitieme, corrupte of gewelddadige overheden. Wikileaks bestaat pas sinds 2007 en heeft al een aantal enorme zaken in het licht gebracht. Zo gaven ze bewijs van corruptie in de familie van de voormalige president van Kenya, Daniel arap Moi en publiceerden ze een video van een luchtaanval door de VS op Baghdad, een aanval waarbij burgers gedood werden. Assange, ooit een “gewone” Australische journalist, stichtte de site om objectief aantoonbare onrechtvaardigheden gekend te maken bij het publiek.

Wetenschappelijk verantwoorde journalistiek

Als ik zie hoe machteloos de journalistiek tegenwoordig is, zou ik het als een belediging opvatten als iemand me een journalist noemde.” (Assange in interview in De Standaard, 30 oktober 2010)

Assange is niet zomaar een journalist. Hij is ook een hacker. En hij houdt er heel specifieke overtuigingen op na, die voelbaar zijn in de werking van Wikileaks. Assange vindt dat journalisme moet evolueren in de richting van scientific journalism. Één van de voornaamste kritieken die Assange heeft op journalisten is dat ze te subjectief zijn in hun berichtgeving. Zij staven hun beweringen te weinig met objectieve en traceerbare bewijzen. Wikileaks gebruikt rechtstreekse informatie – journalisten gebruiken vaak secundaire bronnen. Assange vindt dat journalistiek meer zoals wetenschap dient te zijn: zo transparant en volledig mogelijk (Stephen Moss, 2010). Zijn betoog hierover, betrokken op Wikileaks, kan je hier bekijken.

Wiki-terror

Niet iedereen is tevreden met Wikileaks. Zo benadrukt Assange dat hij op bijna wetenschappelijke wijze tewerkgaat door compleet transparant bericht te geven (zie het filmpje hierboven). Anderzijds blijven zijn bronnen, of “klokkenluiders”, wel anoniem, wat hun geloofwaardigheid voor sommigen aantast. Dat hij bekend staat als een hacker van hoogstaande bedrijven en organisaties zorgt ervoor dat hij in bepaalde kringen wordt gezien als een terror. Bovendien werd hij meermaals strafrechtelijk veroordeeld en beboet voor zijn activiteiten. Hij hackte onder andere NASA, Panasonic, de Nationale Australische Universiteit en het Departement van Defensie van de VS. Nadat Assange “staatsgeheimen” had laten uitlekken zei een anker van Fox News Channel over hem:

“A dead man can’t leak stuff,” Beckel said. “This guy’s a traitor, he’s treasonous, and he has broken every law of the United States. And I’m not for the death penalty, so…there’s only one way to do it: illegally shoot the son of a bitch.” (Bob Beckel, 2010)

Beckel gebruikt zeer zware taal, zoals “treasonous” en “shoot the son of a bitch”, die net als de taal van Barlow aan een oorlog, of minstens een grootschalig conflict, doet denken. In deze “slag om informatie” staan de hackers tegenover staats- en bedrijfsleiders, en dankzij nieuwe media kunnen ook burgers participeren.


Bronnen

Anderson, C.W. (2010). From Indymedia to Wikileaks: what a decade of hacking journalistic culture says about the future of news. (http://www.niemanlab.org/2010/12/)

Bradshaw, P. (2007). A taxonomy of wiki journalism. Online journalism blog (http://onlinejournalismblog.com/2007/09/10/wikijournalism-are-wikis-the-new-blogs/)

De Standaard, 30/10/2010.

http://www.huffingtonpost.com/2010/12/07/fox-news-bob-beckel-calls_n_793467.html

http://www.naturalnews.com/030647_Wikileaks_net_neutrality.html#ixzz17iAS9nT

http://www.theguardian.com/media/2010/jul/14/julian-assange-whistleblower-wikileaks

http://www.wikileaks.org