Is online activisme een excuus voor luie mensen om eigenlijk niets te doen?

Door middel van nieuwe media kan er ook bottom-up geparticipeerd worden. Dit betekent dat iets vertrekt van “beneden”, bijvoorbeeld bij burgers of personeel, waarna het ergens “bovenaan” terecht komt, bijvoorbeeld bij hoogstaande politieke figuren of bij de directie van een bedrijf. Wanneer dit gebeurt via het internet noemen we dit “e-participatie”. Niet iedereen is echter overtuigd dat online participatie leidt tot offline resultaten zoals politieke of sociale verandering. De online politieke activiteiten, of “slacktivism” zouden eerder dienen om de participanten zich even goed te laten voelen over zichzelf (Morozov, 2009).

E-participatie voor politieke inspraak

Een belangrijke vorm van e-participatie is wanneer het internet gebruikt wordt voor het verhogen van politieke participatie. Dit kan bijvoorbeeld door middel van gemeenschapsnetwerken die lokale initiatieven trachten te versterken, of door burgers met hun politieke vertegenwoordigers in contact te brengen. Op deze manier kan er gemeenschapsinformatie worden opgebouwd vanuit de gemeenschap zelf.

“Burgers zijn anno 2011 mondiger en door de komst van web 2.0 applicaties zoals wiki’s, online sociale netwerken en blogs is er de mogelijkheid voor burgers om op verschillende manieren met elkaar en de overheid in contact te komen en op interactieve wijze te communiceren en te participeren.” (Donders, 2011)

Uit het onderzoek van Donders (2011) bleek dat e-participatie aanvullend werd gebruikt op ‘traditionele’ burgerparticipatie. Deze combinatie van online en offline activiteiten is volgens hem de juiste. Hij bevindt zich als onderzoeker dus in een eerder relativerende middenpositie, ergens tussen theofielen en technofoben in. Over deze posities vind je meer in de blogposts “mediagebruik door jongeren: technofielen versus technofoben” en “media en macht hand in hand”. Een voorbeeld van een platform voor e-participatie vind je op de volgende link: Blacksburg Electronic Village.

Het internet wordt ook door belangengroeperingen en sociale bewegingen gebruikt om campagnes te voeren en leden te rekruteren. Een voorbeeld van zo’n e-mobilisatie is Environmental Defense, een milieugroepering – bekijk hun online activiteiten met het oog op e-mobilisatie hier.

Online activisme voor democratisering

Politieke e-participatie en e-mobilisatie hoeven echter niet altijd hand in hand te gaan met de gevestigde autoriteiten… De mogelijkheden tot e-participatie en e-mobilisatie worden ook gebruikt in landen waar burgers (tevergeefs) streven naar een meer democratische samenleving. Dankzij nieuwe media kunnen zij hun mening uiten, met gelijkgezinde activisten in contact komen, zich organiseren en nieuwe leden rekruteren. Bovendien hoeven zij zich niet te beperken tot rekruten uit hun eigen regio. De groei van nieuwe informatie- en communicatietechnologie is een onderdeel van een bredere trend, de “globalisering”. De globalisering leidt tot het gemakkelijker ontvangen én versturen van informatie over/naar de hele wereld.

“Globalization means that if someone in China sneezes, someone in Toronto may one day catch a cold” (Huang & Leung, 2005)

Tweeting for change

Dankzij globalisering kunnen burgeractivisten uitreiken naar de hele (online) wereld. Zo hebben de volgende tweets mij in België bereikt en ongetwijfeld ook duizenden (of miljoenen?) anderen.

Capture capturetweet capturetweethrw hrw tweet HRW tweets 1 HRW tweets Hrwtweet tweet TWEetHRW tweethrwca tweethrwz Tweets HRW

SLACKtivisme

Echter, is e-participatie een illusie? Volgens sceptici krijgen mensen door een online nieuwsbericht te delen, erover te praten of door het te liken het gevoel dat ze meehelpen. Maar eigenlijk heeft dit in de praktijk geen uitwerking – en misschien kan dat deze likers ook weinig schelen wanneer het erop aankomt. Anders zouden ze toch meer doen? Deze critici spreken van slacktivism in plaats van activism.

“Internet activities have been criticized for being slacktivism, where the real life impact of the activities is limited; the main effect is to enhance the feel–good factor for participants.” (Christensen, 2011)

Christenen (2011) besluit dat het onmogelijk is om een een consistente impact op internetcampagnes op besluitvorming te bewijzen – maar dat er evenmin bewijs is van het tegenovergestelde. Hij stelde in zijn onderzoek wel vast dat e-participatie een positieve invloed kan hebben op offline participatie – iets dat ons allemaal hoop kan geven. Niet alle e-participanten nemen de doelen die ze online “steunen” serieus. Dit hoeft online activisme echter niet te ontdoen van de waarde die het wel soms kan hebben.


Bronnen

Christensen, H.S. (2011). Political activities on the Internet: slacktivism or political participation by other means? Peer-reviewed journal op  http://firstmonday.org/ojs/index.php/fm/article/view/3336/2767, geraadpleegd op 30 december 2014.

Donders, M.E.J. (2011). eParticipatie: de ‘traditionele’ discussieavond voorbij? Onuitgegeven masterproef: Universiteit Utrecht.

Huang, Y. & Leung, C.C.M. (2005). Western-Led Press Coverage of Mainland China and Vietnam during the SARS Crisis: Reassessing the Concept of ‘Media Representation of the Other’. Asian Journal of Communication. Vol. 15, No. 3, November 2005, pp. 302 – 318.

Morozov, E. (2009). “The brave new world of slacktivism,” Foreign Policy (19 May), op http://neteffect.foreignpolicy.com/posts/2009/05/19/the_brave_new_world_of_slacktivism, geraadpleegd op 23 november 2010.

http://notenoughgood.com/2013/03/slacktivism/ (afbeelding “click here to save the world”)

http://www.hrw.org/news/2014/12/22/top-human-rights-tweets-2014 (afbeeldingen “tweets”)

Media en macht hand in hand

What is emphasized by the media is given emphasis in public perception; what is emphasized by the media is enlarged in public perception” (Watson, 2003)

De media wordt ook wel eens de vierde macht genoemd, omwille van hun grote bereik en impact in de samenleving. Dit werd reeds 100 jaar geleden opgemerkt, toen de media een grote rol speelde in het verspreiden van propaganda voor de Sovjet-Unie en Duitsland tijdens de wereldoorlogen (McQuail, 1998). Men stelde vast dat de media de macht had om bijna iedereen te bereiken en dat het publiek bovendien sterk beïnvloedbaar was door wat ze hierin te lezen, zien of horen kregen (McQuail, 1998). Door de mogelijkheden van nieuwe media voor “kleine”, “alternatieve” of “minder machtige” stemmen om boodschappen te verspreiden wordt deze vierde macht plots een meer gefragmenteerde macht.

Nieuwsmedia vormen ons wereldbeeld

Één van de redenen waarom mensen de media volgen is om informatie te vergaren en om meningen te vormen, bijvoorbeeld door politieke debatten te volgen voor de verkiezingen (Watson, 2003). Het verschijnen in de media van een nieuwsitem is vaak de eerste stap voor het vormen van een publieke opinie over een bepaald thema (McCombs & Reynolds, 2002). De manier waarop de mediavoorstelling gebeurt kan een grote invloed hebben op het beeld dat mensen hiervan vormen en voor het publieke discours hierover (Grabowsky & Wilson, 1989). Dit is zeker het geval bij feiten waar de meeste mensen geen rechtstreekse of persoonlijke ervaring mee hebben. Sociale problemen, zoals bijvoorbeeld criminaliteit, zijn zeer complex. Om wegwijs te raken doorheen deze problemen, baseren mensen zich op de informatie die voor hen beschikbaar is. Bij gebrek aan rechtstreekse informatiebronnen worden percepties en attitudes gebaseerd op informatie uit secundaire bronnen zoals de media. Dit sluit aan bij “de cultivatietheorie”, dewelke vooropstelt dat mediabeelden de dominante ideologieën en percepties in de samenleving cultiveren of opbouwen (Watson, 2003).

Op welke manier geeft dit de mensen achter de media macht?

AgendasettingModel van “the agenda-setting process” door Rogers en Dearing (1988)

De media hebben de macht om van een incident een groot schandaal te maken dan wel om het te laten overwaaien (Grabowsky & Wilson, 1989). Thema’s van de media-agenda die de publieke agenda hebben bereikt kunnen doorstromen naar de politieke agenda (McCombs & Reynolds, 2002). Met andere woorden: als het publiek veel belangstelling heeft voor een thema kan deze belangstelling doorsijpelen naar beleidsmakers (Berns, 2004). Dit wordt ook wel “political agendasetting” genoemd. Ter illustratie kan gekeken worden naar de extensieve aandacht die gegeven werd aan het jonge slachtoffer Megan Kanka, die in 1994 in de VS vermoord werd door een seksuele delinquent, wat uiteindelijk leidde tot een nieuwe wet die naar haar genoemd werd, “Megan’s Law”.

Selectie en framing

Informatie die wordt doorgegeven is nooit neutraal, al is objectiviteit wel een streefdoel van veel journalisten. Objectiviteit is ook iets dat de lezers/kijkers/luisteraars en politici verwachten van nieuwsmedia (Bennett, 2006). Echter, mediarapportage is noodzakelijkerwijze selectief. Er kan niet worden gerapporteerd over alles dat plaatsvindt (Grabosky & Wilson, 1989). Er worden keuzes gemaakt, wat objectiviteit uitsluit. Bepaalde informatie wordt geselecteerd en vervolgens op een bepaalde manier gepresenteerd of geframed.

“Framing is het proces waarbij een frame enerzijds bij de productie van een nieuwsbericht aangeeft welke elementen uit waargenomen realiteit te selecteren, uit te sluiten, te benadrukken of aan te vullen, en anderzijds de ontvangers van context en betekenissuggestie voorziet” (Van Gorp, 2006)

Wanneer een lezer een krantenartikel onder ogen krijgt, zal dit artikel zijn aandacht op bepaalde aspecten richten. Berns (2004) vergelijkt dit met een gids die toeristen begeleidt bij het bezoeken van een stad. De toeristen kunnen rondgeleid worden door gids Anna, die de nadruk legt op toeristische trekpleisters en indrukwekkende monumenten. Ze kunnen diezelfde dag, op diezelfde locatie, een rondleiding volgen bij gids Bert. Gids Bert legt de focus op de extreme verschillen in klasse tussen armoede en rijkdom in de stad. Op een gelijkaardige  manier dat men een ander beeld zou hebben van de stad afhankelijk van hun rondleiding door Anna, dan wel door Bert, kan de presentatie van een sociaal probleem in de krant de aandacht van de lezer richten en diens  beïnvloeden. Framing is, net als selectie, onmogelijk te vermijden bij berichtgeving. Dit geldt zowel op het niveau van de verzending van de boodschap als op het niveau van de ontvangst (Watson, 2003).

Machtsverschuiving

Een terugkerend kenmerk van het media-discours is dat bepaalde groepen meer dan anderen een invloed hebben op welke boodschap op welke manier wordt verzonden. Deze machtige groepen zijn de (economische en politieke) elite van de meest (invloed)rijke – met andere woorden “Westerse” – landen (Huang & Leung, 2005). Zij krijgen in de pers de kans om een goede reputatie op te bouwen, waardoor de kloof tussen hen en minder machtigen vergroot.

MAAR!

Dankzij nieuwe technologie krijgen individuen met toegang tot deze technologie de mogelijkheid om zich online uit te drukken. Het monopolie van massamedia, de overheid en grote bedrijven wordt hiermee doorbroken. Met andere woorden: er stroomt macht weg van het hiërarchisch centrum naar de rest van het volk. Deze verschuiving opent deuren (al staat de grootte van de kier ter discussie). Dit is vooral van belang in landen waar de machtskloof tussen bijvoorbeeld de overheid en de bevolking het grootst is. Amir-Ebrahimi zei bijvoorbeeld het volgende over de internetontwikkelingen in Iran (2005):

“In Iran where the public sphere is closely monitored and regulated by traditional and state forces, the internet has become a means to resist the restrictions imposed on these spaces. For people living in these countries, especially the marginalized groups such as youth and women, the internet can be a space more ‘real’ than life”

Of is deze machtsverschuiving een illusie?

Utopisten geloven dat nieuwe media deze kloof kan helpen overbruggen. Volgens hen heeft online activisme geleid tot nieuwe vormen van samenwerking, overleg en erkenning die anders niet tot stand zouden zijn gekomen. Meer gematigde optimisten zien on-line activisme als een aanvulling op traditioneel activisme dat nooit alleen kan staan. Een derde positie die wordt ingenomen is dat de sociale en politieke impact van on-line activisme een illusie is. De impact van on-line activisme wordt gezien als zeer beperkt tot onbestaande. Er zijn dan wel voorbeelden te noemen waar online activisme schijnbaar een impact heeft gehad, zoals de Arabische Lente en de protesterende bloggers en “twitter-opstand” na gecontesteerde verkiezingen in Iran in 2009. Maar er valt niet te bewijzen hoe deze situaties zich zouden hebben ontvouwd zonder sociale media.


Bronnen

Bennett, W. L. (2006). News, the politics of illusion. New York: Longman.

Berns, N. (2004). Framing the victim: Domestic violence, media, and social problems. Hawthorne, New York: Aldine de Gruyter.

Grabowsky, P. &Wilson, P. (1989). Journalism & Justice: How crime is reported. Leichhardt: Pluto Press Australia Limited.

Huang, Y. & Leung, C.C.M. (2005). Western-Led Press Coverage of Mainland China and Vietnam during the SARS Crisis: Reassessing the Concept of ‘Media Representation of the Other’. Asian Journal of Communication. Vol. 15, No. 3, November 2005, pp. 302 – 318.

McCombs, M. & Reynolds, A. (2002). News influence on our pictures of the world. In Bryant, J. & Zillman, D. (ed.). Media Effects. Lawrence Erlbaum Associates, Mahwah, NJ, pp. 1-16.

McQuail, D. (1998). Mass Communication Theory: An Introduction. London: SAGE Publications Ltd.

Rogers, E.M., & Dearing, J.W. (1988). Agenda-setting research: Where has it been? Where is it going? In: Anderson, J.A. (Ed.). Communication yearbook 11 (555-594). Newbury Park, CA: Sage.

Van Gorp, B. (2006). Framing asiel: indringers en slachtoffers in de pers. Leuven: Acco.

Wikileaks: arena van de oorlog om informatie

The first serious infowar is now engaged. The field of battle is WikiLeaks. You are the troops.” (Barlow op Twitter)

Wikileaks (klik hier om de site te bekijken) werd in 2007 opgericht door Julian Assange. Het is een uitlaatklep voor klokkenluiders, een verzamelplaats voor “geheim, gecensureerd of op andere manier ontoegankelijk materiaal dat politiek, diplomatisch of ethisch belang heeft”. De beheerders, waaronder Assange, screenen op voorhand wat er wordt geplaatst, zodat enkel betrouwbare documenten worden gepubliceerd. Zij maken gebruik van de nieuwe technologie van de “wiki”, waarop interactief een database kan worden samengesteld door gebruikers over de hele wereld.

Het wiki wiki web

De wiki werd gecreëerd door Cunningham in 1995. Een wiki, zoals gebruikt voor onder andere Wikipedia en Wikileaks, is een applicatie waarop webdocumenten gezamenlijk kunnen worden bewerkt. Gebruikers kunnen pagina’s toevoegen of bestaande pagina’s aanvullen of wijzigen. Alle deelnemers bewerken dezelfde tekst – maar het is wel zichtbaar wie wat heeft gedaan. Op deze manier wordt kennis van allerlei mensen op één plaats gebundeld. Er bestaan verschillende niveaus van “openheid”: sommige wiki’s zijn compleet open, waarop eender wie eender wanneer kan posten. Je hebt ook bijvoorbeeld wiki’s waarop de basis eerst wordt gemaakt door journalisten, waarna het publiek hier voor een beperkte tijd aanpassingen kan aanbrengen. Dit heet een ‘second draft’ wiki (Bradshaw, 2007).

Hactivism

Anderson (2010) ziet een nieuwe trend sinds de doorbraak van het internet, een trend die hij journalistic hacktivism noemt. Hactivism betekent dat er wordt ingebroken in een computersysteem om een sociaal of politiek doel te bereiken. In dit perspectief ziet hij Indymedia (klik hier om de website te bekijken) als de voorloper op Wikileaks. Op Indymedia werden foto’s en getuigenissen van burgers geplaatst, vlak nadat iets had plaatsgevonden. Sinds 2000 had de website ook een Belgische tak. Het gebruik van data aangebracht door burgerjournalisten is in het laatste decennium ook doorgebroken bij professionele nieuwsorganisaties. De stap die hierna gezet werd was dat steeds meer burgers gebruik maakten (en maken) van de interactieve mogelijkheden van het internet om zelf aan burgerjournalistiek te doen – onder andere via Wikileaks.

Wat is Wikileaks?

“We provide an innovative, secure and anonymous way for sources to leak information to our journalists (our electronic drop box). One of our most important activities is to publish original source material alongside our news stories so readers and historians alike can see evidence of the truth. We are a young organisation that has grown very quickly, relying on a network of dedicated volunteers around the globe.” (www.wikileaks.org, 20/12/2014)

Op Wikileaks wordt bewijs verzameld en gepubliceerd van illegitieme, corrupte of gewelddadige overheden. Wikileaks bestaat pas sinds 2007 en heeft al een aantal enorme zaken in het licht gebracht. Zo gaven ze bewijs van corruptie in de familie van de voormalige president van Kenya, Daniel arap Moi en publiceerden ze een video van een luchtaanval door de VS op Baghdad, een aanval waarbij burgers gedood werden. Assange, ooit een “gewone” Australische journalist, stichtte de site om objectief aantoonbare onrechtvaardigheden gekend te maken bij het publiek.

Wetenschappelijk verantwoorde journalistiek

Als ik zie hoe machteloos de journalistiek tegenwoordig is, zou ik het als een belediging opvatten als iemand me een journalist noemde.” (Assange in interview in De Standaard, 30 oktober 2010)

Assange is niet zomaar een journalist. Hij is ook een hacker. En hij houdt er heel specifieke overtuigingen op na, die voelbaar zijn in de werking van Wikileaks. Assange vindt dat journalisme moet evolueren in de richting van scientific journalism. Één van de voornaamste kritieken die Assange heeft op journalisten is dat ze te subjectief zijn in hun berichtgeving. Zij staven hun beweringen te weinig met objectieve en traceerbare bewijzen. Wikileaks gebruikt rechtstreekse informatie – journalisten gebruiken vaak secundaire bronnen. Assange vindt dat journalistiek meer zoals wetenschap dient te zijn: zo transparant en volledig mogelijk (Stephen Moss, 2010). Zijn betoog hierover, betrokken op Wikileaks, kan je hier bekijken.

Wiki-terror

Niet iedereen is tevreden met Wikileaks. Zo benadrukt Assange dat hij op bijna wetenschappelijke wijze tewerkgaat door compleet transparant bericht te geven (zie het filmpje hierboven). Anderzijds blijven zijn bronnen, of “klokkenluiders”, wel anoniem, wat hun geloofwaardigheid voor sommigen aantast. Dat hij bekend staat als een hacker van hoogstaande bedrijven en organisaties zorgt ervoor dat hij in bepaalde kringen wordt gezien als een terror. Bovendien werd hij meermaals strafrechtelijk veroordeeld en beboet voor zijn activiteiten. Hij hackte onder andere NASA, Panasonic, de Nationale Australische Universiteit en het Departement van Defensie van de VS. Nadat Assange “staatsgeheimen” had laten uitlekken zei een anker van Fox News Channel over hem:

“A dead man can’t leak stuff,” Beckel said. “This guy’s a traitor, he’s treasonous, and he has broken every law of the United States. And I’m not for the death penalty, so…there’s only one way to do it: illegally shoot the son of a bitch.” (Bob Beckel, 2010)

Beckel gebruikt zeer zware taal, zoals “treasonous” en “shoot the son of a bitch”, die net als de taal van Barlow aan een oorlog, of minstens een grootschalig conflict, doet denken. In deze “slag om informatie” staan de hackers tegenover staats- en bedrijfsleiders, en dankzij nieuwe media kunnen ook burgers participeren.


Bronnen

Anderson, C.W. (2010). From Indymedia to Wikileaks: what a decade of hacking journalistic culture says about the future of news. (http://www.niemanlab.org/2010/12/)

Bradshaw, P. (2007). A taxonomy of wiki journalism. Online journalism blog (http://onlinejournalismblog.com/2007/09/10/wikijournalism-are-wikis-the-new-blogs/)

De Standaard, 30/10/2010.

http://www.huffingtonpost.com/2010/12/07/fox-news-bob-beckel-calls_n_793467.html

http://www.naturalnews.com/030647_Wikileaks_net_neutrality.html#ixzz17iAS9nT

http://www.theguardian.com/media/2010/jul/14/julian-assange-whistleblower-wikileaks

http://www.wikileaks.org

Staat er in de toekomst een betaalmuur tussen lezers en online nieuws?

paywall

December 2014, en het zijn besparingen die de klok slaan. De crisisjaren hebben hun sporen achtergelaten, ook in de mediasector. De sector zit tegelijkertijd in een transitieperiode sinds nieuwe media zich is beginnen mengen in de markt. Traditionele nieuwsbronnen moeten plots concurreren met het internet als bron van nieuws en informatie. In veel OESO landen nemen het aantal kranten dat gedrukt wordt, hun verspreiding en hun aantal lezers af (OECD, 2010, p. 17). De bestaande verdienmodellen staan onder druk, waardoor de vraag wordt gesteld of er nieuwe manieren zijn om geld te laten binnenstromen in de media. Hiervoor wordt bijvoorbeeld gekeken naar een hervorming van het tot nu toe overwegend gratis aanbod van online nieuwsartikelen.

Hoe stelt de verkoop van papieren kranten het?

De verkoop van papieren kranten daalt – dit is een trend die het sterkst zichtbaar is in de Verenigde Staten. Grote mediafiguren in de VS zoals het hoofd van MediaNews Group, één van de grootste mediaketens van de VS, zien papieren kranten als iets van het verleden en investeren volop in digitale nieuwsstromen (New York Times, 14/11/2011). In België doen de papieren kranten het beter dan in de VS, maar dezelfde trend is zichtbaar. In 2012 was er in Vlaanderen een verkoopsachteruitgang van 7% ten opzichte van 2001. In Wallonië was er een achteruitgang van 30% (www.cim.be). Ook de magazinemarkt heeft het moeilijk – de verkoop vermindert, net als de advertentie-inkomsten (De Morgen, 19/12/2014, p.4). Sanoma, de Finse mediagroep achter onder andere de Belgische magazines Humo en Flair, kampt bijvoorbeeld al langere tijd met financiële moeilijkheden.

Is een betaalmuur de oplossing?

Online vinden lezers – gratis – artikelen van kranten vanuit de hele wereld. Nieuws is gemakkelijker, sneller en goedkoper beschikbaar dan ooit tevoren (OECD, 2010, p. 17). Op sociale media zoals Twitter of Facebook (met de slogan “it’s free and always will be”) worden we overspoeld door informatie.

FB Free and always will be

Voor lokale persagentschappen is het niet altijd duidelijk hoe zij hiermee kunnen concurreren. Één idee is dat van de betaalmuur. In de Verenigde Staten hebben 450 kranten reeds een betaalmuur of pay wall ingebouwd. Hierover zei een tevreden Paul Smurl van de New York Times het volgende:

De resultaten van de paid content strategie hebben onze verwachtingen overtroffen”, zo meldde Smurl in Londen: “Het aantal ‘digital only’ abonnees bedroeg eind 2012 640.000 en blijft groeien. Daarnaast hebben 920.000 abonnees van de papieren krant een gratis digitale account aangemaakt. De groei van de inkomsten uit online content compenseert meer dan de daling van onze inkomsten uit de papieren krant.” (www.mediafact.nl)

Echter, volgens onderzoek op basis van een ondervraging van 27.000 gebruikers uit 52 verschillende landen (Nielsen, 2010) is er een minderheid aan lezers die zou (overwegen te) betalen voor online nieuwsartikels. Bovendien blijkt uit onderzoek door de Boston Consulting Group (2009) dat zij die willen betalen niet evenveel willen geven voor het digitaal aanbod van een krant als voor het papieren aanbod. Momenteel is er sprake van een nieuws overload. Overal is nieuws te vinden. Indien een nieuwssite betalend werd, denk ik dat een heleboel lezers één van de vele andere nieuwsbronnen zou kiezen. Één dat niet om betaling vraagt. Een mogelijke repliek hierop is dat de nieuwssite achter de betaalmuur unieke, kwaliteitsvolle inhoud moet aanbieden. Deze meerwaarde kan voor sommigen een betaling waard zijn. Volgens een onderzoek door de Boston Consulting Group (2009) zijn mensen bereid te betalen voor online nieuws indien dit uniek, actueel (continu geüpdate) en makkelijk beschikbaar is. Nieuwsmedia dienen in dit verhaal te mikken op een harde kern van lezers die hiernaar op zoek zijn en bereid zijn hiervoor te betalen, in plaats van op de grote massa.

Gratis borrelnootjes, betalen voor de hoofdschotel

Mogelijke strategieën om lezers te lokken zijn bijvoorbeeld door gebruik van een “metered paywall” of betaalmuur met gaten. Hierbij krijgt de lezer al een “voorproefje”, doordat een aantal artikelen gratis zijn. De gedachte hierachter is dat lezers hierdoor geprikkeld genoeg zijn om te betalen voor de rest. De New York Times maakt hier gebruik van sinds januari 2011: lezers botsen na tien artikels per vier weken op de betaalmuur (www.mediafacts.nl). Ook De Tijd gebruikt deze methode. Een ander “lokmiddel” is om het betaalsysteem eenvoudig te houden, met de mogelijkheid tot micro payments voor korte periodes of per artikel. Zo wordt de drempel verlaagd.

Kwaliteit – niet voor iedereen?

Betalen voor kwaliteitsvol nieuws is niet voor iedereen. De harde kern die hiervoor zou betalen is vermoedelijk hoger opgeleid, opgegroeid met kranten, en financieel stabiel. Met andere woorden, mensen met een hogere socio-economische status. Een ethische afweging die moet worden gemaakt is of het wenselijk is om kwaliteitsvol nieuws in de toekomst te houden voor deze geprivilegieerde groep, en ze ondertussen af te schermen van de rest van het volk. Paul Smurl van de New York Times zei hierover:

“We zullen in 2013 en daarna zeker nieuwe, extra betaalproducten tegen lagere prijzen introduceren, om een publiek aan te trekken met een hogere prijssensitiviteit. Natuurlijk moeten we voor die groep ons aanbod voldoende differentiëren ten opzichte van de online abonnees die meer betalen, zodat zij niet massaal op goedkopere proposities overstappen.”

Er blijft dus, als het van hem afhangt, een kwaliteitsverschil in het nieuws, afhankelijk van de prijs die ervoor betaald wordt. De betaalmuur riskeert zo een muur op te zetten en de bevolking te splitsen in twee groepen: de “information haves” en de “information have-nots” (OECD, 2010, p. 103).


Bronnen

Boston Consulting Group (2009). Willingness to pay for news online: Key findingd from an international survey. BCG Technology, Media & Telecommunications.

Carr, D. (2011). Newspapers’ Digital Apostle. The New York Times, 14/11/2011, p. 1.

Desmet, L. (2014). Sanoma City wordt Hollands. De Morgen, 19/12/2014, p. 4. De Persgroep Publishing.

Nielsen Company (2010). Changing models: a global perspective on paying for content online. http://www.nielsen.com/us/en/insights/news/2010/changing-models-a-global-perspective-on-paying-for-content-online.html

OECD (2010), “Introduction”, in News in the Internet Age: New Trends in News Publishing, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/9789264088702-3-en

OECD (2010), “The Future of News Creation and Distribution: Opportunities and Challenges”, in News in the Internet Age: New Trends in News Publishing, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/9789264088702-7-en

http://www.cim.be

http://www.mediafacts.nl/nieuws/new-york-times-blijft-investeren-in-online-betaalmuur/ (geraadpleegd op 19/12/2014)

(www.canadianbusiness.com: afbeelding)

Blogs met een impact: Lina Ben Mhenni en Malala Yousafzai

We can blog it

Bloggen is in. Wat kunnen blogs betekenen voor individuen of zelfs voor gemeenschappen, landen of de wereld? Het waren bloggers die de wereld op de hoogte hielden tijdens de burgerprotesten die de Arabische lente inluidden. We weten niet of de Arabische lente wel zou hebben plaatsgevonden indien zij dit niet hadden gedaan. Hun stemmen hebben ons bereikt dankzij de wereld van de blog. Iedereen kan bloggen. En wat kunnen blogs?

Terugkeer naar vóór de massamedia

Bloggen is niet per se nieuw, er werd al geblogd in de jaren ’90. Vanwaar komt de exponentiële groei van blogs op het internet de laatste jaren? Het kan geplaatst worden in het verlengde van een bredere evolutie binnen nieuwe media. Sommigen spreken van een nieuw “tijdperk”. Waar in het vorige tijdperk, web 1.0, informatie werd gedeeld op een statische manier en in één richting, is het nu anders. Bij web 2.0 zijn steeds meer pagina’s sociaal en wordt inhoud in twee richtingen gegenereerd. De gebruiker participeert op een actieve manier. Denk bijvoorbeeld aan Wikipedia, Youtube, of Twitter. Standage (2013) benadrukt dat deze participatie terug aansluit bij het tijdperk van voor de massa-media. We keren terug naar een systeem waarin een wisselwerking de norm is.

New media is very different from old media, but has much in common with ‘really old’ media.” (Standage, 2013, p. 240)

Of het web 2.0 of de blog eerst was, weet ik niet, maar wel dat ze beide bloeien in 2014. “Gewone” (en minder gewone) mensen gaan massaal aan het bloggen, zij het over de actualiteit, hobby’s of gewoon over hun eigen leven in dagboekstijl. Het biedt een kans aan iedereen om het over het nieuws te hebben, en opent zo deuren voor burgerjournalistiek.

Lina Ben Mhenni

Waar ik even over wil spreken is over de impact die blogs kunnen hebben wanneer ze op hun krachtigst zijn. Dit ga ik niet doen op abstracte wijze, maar wel door twee inspirerende voorbeelden aan te halen. Iemand die dankzij haar blog de wereld rond is gelezen is Lina Ben Mhenni. Deze Tunesische vrouw hield een blog bij met de naam “A Tunisian Girl”. Toen de burgerprotesten uitbraken rapporteerde zij hierover op haar blog. Haar doel was om het geweld van de overheid bij het reageren op deze protesten bekend te maken. Ze ging naar ziekenhuizen en verspreidde foto’s en video’s van gewonde burgers. Doorheen haar blog gaf ze vitale informatie door aan activisten doorheen Tunesië. Bovendien bracht zij de rest van de wereld op de hoogte van het geweld dat plaatsvond in haar land. Ze ontving later de Deutsche Welle International Blog Award en El Mundo’s International Journalism Prize. Ze werd verder in 2011 genomineerd voor de Nobelprijs van de Vrede. Lina Ben Mhenni heeft met haar blog niet enkel haar eigen leven veranderd, maar ook dat van vele anderen.

Malala Yousafzai

Iemand anders die genomineerd werd voor de Nobelprijs van de Vrede voor haar blog, en deze ook kreeg eerder dit jaar, is de Pakistaanse tiener Malala Yousafzai. Ook zij schreef haar blog in tijden van lokale onrust. In 2009 schreef zij voor de BBC een dagboek over haar leven in een stad die gecontroleerd werd door de Taliban. Zij deed dit om aandacht te krijgen voor een probleem van haar en de andere meisjes in haar stad: de Taliban verbood hen naar school te gaan. Malala was 11 jaar toen ze haar blog schreef.

“I had a terrible dream yesterday with military helicopters and the Taliban. I have had such dreams since the launch of the military operation in Swat. I was afraid going to school because the Taliban had issued an edict banning all girls from attending schools. Only 11 students attended the class out of 27.” (Yousafzai, 2009)

In 2012 werd Malala neergeschoten door een lid van de Taliban, maar overleefde. Deze bijna fatale aanslag heeft haar passie niet geremd. Ze vecht nog steeds voor het recht van meisjes op onderwijs – in haar stad en overal. Malala haar verhaal ging de wereld rond. Voor veel Pakistanen is ze een symbool geworden van het verzet tegen de Taliban. Als je haar nog niet kent, moet je haar zeker eens opzoeken. In het onderstaande filmpje kan je haar alvast eens aan het woord horen:


Bronnen

Sandage, T. (2013). Writing on the wall: social media the first 2000 years. London: Bloomsbury.

http://atunisiangirl.blogspot.be/

http://www.bbc.com/news/magazine-19899540

http://www.postworksavvy.com (afbeelding “we can blog it”)

http://en.wikipedia.org/wiki/Lina_Ben_Mhenni

http://en.wikipedia.org/wiki/Women_in_the_Arab_Spring

http://nl.wikipedia.org/wiki/Malala_Yousafzai

Wat vinden we NIET via Google?

Dankzij het internet ligt er een wereld aan informatie aan onze voeten – aan onze vingertoppen eigenlijk. Waar gaan we heen wanneer we informatie willen zoeken op het internet? Voor mij is het antwoord er onmiddellijk: ik surf even naar Google. Vogens een onderzoek door Keel en Bernet (2005) gebruiken journalisten Google in 97% van de gevallen als zoekmachine. Dit is nochtans niet de neutrale keuze die het lijkt te zijn. Google biedt ons geen originele data aan: er wordt gewoon verwezen naar iets anders dat al online gepubliceerd werd. Dit heet de self-referentiality van het internet. Tussen de bestaande websites wordt een rangschikking gecreëerd, die ons klikgedrag gaat beïnvloeden, en zo ook de informatie waar we (niet) aan blootgesteld worden.

Hoe belangrijk is het internet voor journalisten?

Nieuws zoeken, en vooral ook ve-ri-fi-ce-ren! Het nauwgezet checken van informatie en bronnen is één van de belangrijkste werkprincipes van journalisten. Hoe kunnen journalisten anders waarheidsgetrouwe informatie aanbieden? Journalisten spenderen gemiddeld 43% van hun werkdag aan onderzoek. 46,7% van deze tijd, het grootste deel, werd besteed aan het zoeken en selecteren van aanvullende bronnen en informatie. Slechts 5,5% (of 11 minuten) van de tijd wordt gespendeerd aan verifiërend onderzoek (Machill & Beiler, 2009). Hiervoor zijn zoekmachines, of search engines, op het internet het belangrijkst. Volgens deze zelfde studie gebruiken journalisten hiervoor het meest van de tijd de telefoon en andere “traditionele” zoekinstrumenten. Het internet wordt aanvullend op “traditionele” middelen zoals de telefoon gebruikt wanneer dit de efficiëntie kan verhogen (Machill & Beiler, 2009). Uit het onderzoek bleek ook dat er minder tijd wordt besteed aan het internet dan aan traditionele zoekinstrumenten. Een verklaring hiervoor is het verschil in efficiëntie.

Google-ization

Waar er voor de komst van het internet en andere nieuwe communicatiemiddelen tijd werd besteed aan het verzamelen van informatie, is er nu eerder sprake van een information overload, waarbinnen er gericht gezocht moet worden. Kunnen kiezen en selecteren uit het aanbod is de regel, niet de uitzondering. Het internet kan gebruikt worden om dit tijdsefficiënter te maken door middel van search engines of zoekmachines. In het Duitse onderzoek van News aktuell (2002) bleek dat 82% van de zoekopdrachten op het internet gebruik maakte van zoekmachines. Zoekmachines, waarvan Google de voornaamste is, worden vooral gebruikt voor het vinden van informatiebronnen. Op deze manier hebben search engines een grote impact op de informatie die journalisten vinden. Verder bleek dat veel van de journalisten uit het onderzoek slechts een beperkt aantal search engines gebruiken voor het vinden van al hun informatie (Machill & Beiler, 2009). Uit het onderzoek van Keel en Bernet (2005) bleek zelfs dat er slechts in 3% van de gevallen andere zoekmachines dan Google werden gebruikt. Volgens Machill en Beiler kunnen we spreken van een Google-ization.

Selecties door Google

Belangrijk om even bij stil te staan is dat er ook bij Google wordt geselecteerd! Waarheen zal het ons verwijzen? Welke informatie wordt aangeboden? In welke volgorde? Dit gebeurt niet arbitrair, maar door het gebruik van selectieprocessen en algoritmes. Wat het meest gekend is, het meest gevestigd en het meest geciteerd zal bovenaan staan. Hierdoor wordt op deze links het vaakst geklikt. De cirkel is rond: de positie van de link wordt verstevigd. De volgende die op zoek is naar hetzelfde thema krijgt opnieuw dezelfde weblinks voorgeschoteld. Tegelijkertijd hebben bepaalde websites (en de hierop beschikbare informatie en perspectieven) geen kans om vanboven aan de Google-lijst te prijken (Machill & Beiler, 2009). We kunnen dit vergelijken met het psychologische concept confirmation bias. Confirmation bias verwijst naar de neiging van mensen om te zoeken naar en aandacht te besteden aan informatie die bevestigt wat we al weten/kennen. Tegelijkertijd hebben we de neiging om informatie die deze gevestigde ideeën tegenspreken te negeren. Door de selecties van Google kan er een scheeftrekking ontstaan in het beeld dat gevormd wordt over een bepaald thema (Machill & Beiler, 2009).

Rond en rond

Theofielen (mensen die overtuigd zijn van de positieve meerwaarde van het internet) zeggen dat het internet mogelijkheden biedt voor innovatie en om voordien ongehoorde stemmen te verspreiden. Maar dit lijkt eerder een utopie dan de realiteit. Nieuwsmedia nemen artikels van elkaar over, Google stuurt ons steeds naar de populairste informatie, en afwijkende meningen hebben de neiging te verdwijnen in de massa. Bijna altijd wordt door iedereen hetzelfde beperkte aantal bronnen gebruikt. De informatie wiens positie steeds wordt verstevigd, laten we het de “elite-informatie” noemen, verwijst naar gelijkaardige sites, en uiteindelijk gaan we rond in een cirkeltje zonder ooit op iets nieuws te stoten.


Bronnen:

Keel & Bernet (2005). Journalisten Im Internet 2005. Eine Befragung vond Deutschschweizer Medienschaffenden zum beruflichen Umgang mit dem Internet, http://www.iam.zhwin.ch/download/Studie_2005.pdf.

Machill & Beiler (2009). Journalism Studies, Vol. 10, No 2, 178-203. Routledge Taylor & Francis.

News Aktuell (2000). Media Studie 2000, http://www.newsaktuell.de/de/mediaevents/mediastudie.htx.

News Aktuell (2002). Media Studie 2002, http://www.newsaktuell.de/de/mediaevents/mediastudie.htx.

News Aktuell (2007). Media Studie 2007, http://www.newsaktuell.de/pdf/mediastudie2007.pdf.