Achter de feiten aanhollen

“Het is onmogelijk om te voorspellen hoe journalistiek zal evolueren onder invloed van nieuwe media. Elk academisch onderzoek loopt m.a.w. achter de feiten aan.” (student journalistiek  KU Leuven/Odisee, 2014)

Veranderingen in de journalistiek

1806726_media-internet-televisie-kranten-tijdschriften-radio

De doorbraak van nieuwe media beïnvloedt het dagelijks leven van iedereen die ermee in aanraking komt. Ook de sector van de journalistiek is dynamisch en heeft doorheen de tijd nieuwe vormen aangenomen doordat nieuwe technologieën beschikbaar werden. Oorspronkelijk werd nieuws enkel verspreid via gedrukte bladen. Dit evolueerde naar massaverspreiding en de toevoeging van klank en beeld doorheen radio en TV. Nu heeft het internet de journalistiek zo beïnvloed dat er een continue nieuwsstroom is waarbij het publiek uit een gigantisch aanbod kan kiezen wat en wanneer hij nieuws opneemt. Bovendien zijn professionele journalisten en uitgevers niet meer de enigen die nieuws kunnen verspreiden dat door een groot publiek gelezen zal worden. Burgers kunnen voor het eerst actief participeren in het proces van de nieuwsproductie. Bovendien kunnen zij in interactie treden met andere lezers, luisteraars en kijkers en zelfs met de subjecten van het nieuws (zoals politici) en de journalisten!

Kansen en risico’s van het tweerichtingsverkeer

Er wordt druk gediscussieerd over wat dit allemaal betekent en hoe de toekomst eruitziet. Worden we allemaal burgerjournalisten – is er een nieuw journalistiek tijdperk op komst? Dit zorgt voor een eerder ongeziene diversiteit aan perspectieven. Het opent de deur voor thema’s die anders niet in kranten zouden komen. Verder kunnen deze amateurjournalisten als correspondent fungeren voor beroepsjournalisten, wat de werklast kan verlagen. Anderzijds: kunnen journalisten hun brood nog wel verdienen als burgers hun werk blijven overnemen? Burgerjournalisten zijn niet bovendien gebonden door de beroepsdeontologie van journalisten, waarin onder andere het recht op privacy en menselijke waardigheid beschermd wordt. Stimuleren sociale media ramptoerisme? We kennen allemaal de files die ongevallen veroorzaken – vaak verergerd of zelfs grotendeels veroorzaakt door mensen die foto’s en video’s nemen. Ook de geloofwaardigheid is een heikel punt. Het is gemakkelijk om je online als iemand anders voor te doen, bijvoorbeeld als een getuige en zo valse of verbloemde informatie te verspreiden. Een Tweet is bovendien snel gemaakt en snel gedeeld. Voor je het weet verschijnt een bericht overal op het internet terwijl de oorspronkelijke bron verdwenen is in de massa. Kunnen we vertrouwen dat dit “nieuws” recht doet aan de werkelijkheid?

De kwaliteit van online nieuws

Technosceptici zien de kwaliteit van het nieuws achteruitgaan. Om te concurreren met anderen moet de pers online voor een continue nieuwsstroom zorgen. Wanneer iets gebeurt, verwacht het publiek onmiddellijk op de hoogte gehouden te worden – niet de volgende dag. Wanneer er zo kort op de bal gespeeld moet worden is er natuurlijk veel minder tijd om verschillende bronnen te zoeken en feiten te bevestigen. Nieuwsartikels worden korter en oppervlakkiger – en fouten kunnen voorkomen, die worden achteraf dan wel rechtgezet. Ethisch gezien kan dat voor professionele nieuwsagentschappen eigenlijk niet door de beugel. Zij staan immers in voor het informeren van het publiek. Deze informatie moet dan wel kloppen. Echter, onder tijdsdruk wordt de filtering en bevestiging van informatie die binnenkomt lakser. Er komen minder verschillende en/of moeilijker bereikbare standpunten aan het woord. Analyses en achtergronden, daar is eigenlijk geen tijd voor. Bovendien moeten de titels de mensen aanzetten tot klikken, wat sensatiezucht in de hand werkt.

Het toekomstbeeld van de journalistiek

www.dekritischebelegger.nlHoe gaat dit verder evolueren? Hebben we nieuwe richtlijnen nodig om online berichtgeving in goede banen te leiden? Moet burgerjournalistiek gefilterd worden door “professionelen”? Of is het juist wenselijk dat stemmen die anders niet gehoord worden, omdat ze door journalisten niet worden opgenomen, nu een platform hebben? Gaan nieuwe media de markt overnemen, waardoor traditionele media overbodig wordt? Worden persberichten steeds sneller, korter en vluchtiger? Of wordt het publiek verdeeld in zij die snel en onmiddellijk nieuws willen vergaren en zij die liever een beetje later een vollediger beeld voorgeschoteld krijgen? Kan de online nieuwsverspreiding gratis blijven?

Deze en andere vragen worden niet enkel gesteld door medewerkers uit de nieuwswereld, maar ook door academici. Er bestaat een overvloed aan onderzoeken over de impact van nieuwe media op journalistiek en op nieuwsverspreiding en –ontvangst, een selectie hiervan werden in de eerdere blogposts besproken. Echter, bij ieder onderzoek dat een uitspraak wenst te doen over de toekomst moet dezelfde belangrijke nuance gemaakt worden: we weten het eigenlijk nog niet. Ieder academisch onderzoek dat effecten meet kan dit slechts doen nadat ze hebben plaatsgevonden. Met andere woorden: zelfs de meest befaamde, intelligente, grondige onderzoekers kunnen slechts speculeren. De rest moet de toekomst uitwijzen.


Bronnen:

– Debat 19/12/2014 journalistiek KU Leuven/Odisee

– Afbeeldingen: chriskrastdoorblogland.blogspot.com en http://www.dekritischebelegger.nl

Advertenties

Worden papieren kranten werkelijk met uitsterven bedreigd?

Typisch voor verandering is dat dit wantrouwen opwekt. Dit is ook zo geweest sinds de komst van de nieuwe technologieën van de 21ste eeuw. Vooral “ervaren journalisten”, met andere woorden journalisten die al langer werken – met nog andere woorden: oudere journalisten die een minder groot deel van hun leven met nieuwe technologieën hebben gewerkt – lijken sceptisch ten opzichte van de meerwaarde van nieuwe media. Valt nieuwe media echter nog weg te denken? Gaat online nieuws de markt overnemen? Wordt de papieren krant in de toekomst overbodig?

Wat denken Belgische journalisten over sociale media?

In 2009-2010 en 2012 werd door Quadrant Communications een journalistenenquête uitgevoerd waarbij ongeveer 300 Belgische journalisten werden ondervraagd. Hieruit bleek onder andere dat slechts 5% van deze journalisten geen gebruik maakte van sociale media bij de uitoefening van hun beroep. In de onderstaande tabel kan je zien welke sociale media hierbij het vaakst en het minst vaak werden gebruikt (de respondenten konden meer dan één antwoord geven).

Resultaten studentenenquete

Paradoxaal genoeg vond 80% van de ondervraagde journalisten niet dat het gebruik van sociale media het werk verbeterde. Ze gebruiken het dus wel, maar niet omdat dit het werk bevordert. Het is mogelijk dat ze het gevoel hebben dat ze geen keuze hebben: sociale media zijn zo aanwezig in de samenleving dat ze het niet kunnen maken om het niet te gebruiken.

“This isn’t just a kind of fad of someone who’s an enthousiast of technology. I’m afraid you’re not doing your job if you can’t do those things.” (Peter Horrocks, BBC Global News Director)

Echter, een trend die voorzichtig werd vastgesteld bij Check Twice PR was wel dat het perspectief van journalisten positiever was geworden in 2012.

Vormt online nieuws een bedreiging voor gedrukte kranten?

Of de populariteit van online nieuws slecht is voor traditionele media is voorlopig onduidelijk. De meningen zijn verdeeld. Volgens 55% van de ondervraagde journalisten uit het onderzoek door Quadrant Communications gaan tablets gedrukte media nooit volledig vervangen. Een nipte minderheid (45%) gelooft wel dat dit uiteindelijk zal gebeuren.

Ik, samen met veel van mijn vrienden, medestudenten en zelfs professoren binnen de opleiding journalistiek lezen liever een papieren krant. Even in de zetel of aan de ontbijttafel de krant lezen is toch anders dan voor een schermpje zitten. Het is rustgevend, gezellig en doet je ogen niet wateren en je hoofd niet knetteren wanneer je langere tijd leest. Je hebt bovendien fysiek iets vast, wat zorgt voor een andere beleving. Online klik je van de ene link naar de andere en is alles een beetje sneller, vluchtiger en oppervlakkiger. Echter, komt onze voorliefde voor de papieren krant voort vanuit een soort nostalgie? Is deze “gezelligheid” intrinsiek? Of voelt een papieren krant als veilig en vertrouwd omdat we het kennen?

Een volgende vraag zou dan kunnen zijn: gaan computers ooit papier vervangen? Dit betwijfel ik nog sterker. En niet enkel omwille van weinig tastbare redenen zoals “het is aangenamer om een gedrukte tekst te lezen”. Een papieren tekst kan ook niet uitvallen. Je bent niet afhankelijk van een batterij of oplader of iets dergelijks. Een papieren tekst is licht en makkelijk mee te dragen. Op een papieren tekst kan je met de hand aanduidingen maken. Het is duidelijk: ik ben er niet van overtuigd dat een schermpje ooit papier kan vervangen.

Wat kunnen traditionele media doen om een plekje te behouden?

P1050153

Ik denk evenmin dat nieuwe media gaan verdwijnen. Dus moeten de oude en nieuwe media een manier vinden om naast elkaar te bestaan. Misschien kunnen ze elkaar zelfs versterken. “Nieuws” op sociale media kan een meerwaarde betekenen voor krantenartikels, zonder hiermee in concurrentie te gaan. Wat begint als een tweet of post eindigt vandaag steeds vaker als een krantenartikel, zoals in het voorbeeld uit De Morgen hierboven (18/12/2014, p.17).

Nieuwe media is veel sneller dan traditionele media. Maar kranten kunnen dan weer toevoegen aan het nieuws door bijvoorbeeld antwoorden te verschaffen op vragen zoals “hoe” en “waarom”. De meeste lezers vinden het niet erg als wat ze reeds op sociale media lazen nog eens terugkomt in de krant. Hierbij moet binnen redacties wel opgepast worden voor een te krampvastig vasthouden aan het idee van: “wij moeten ten alle koste per uitgave x aantal waarom-artikels schrijven”. Dit kan leiden tot geforceerde artikels.

Een tweede mogelijkheid is dat traditionele media ander nieuws moeten leveren. Lezers zouden zich kunnen bedenken dat ze niet willen betalen om in de krant te lezen wat ze al gratis online hebben vernomen. Hiertoe moeten er echter tijd en middelen worden vrijgemaakt zodat journalisten kunnen graven naar ander nieuws. Tijd is vaak hetgeen dat tekort schiet. Geld ook, trouwens. Niettemin ziet Yves Desmet van De Morgen een investering in onderzoeksjournalistiek als dé stap die kranten kunnen maken om te blijven “meedraaien”.

“Als je als nieuwsmedium wil meedraaien in de snelle 24 uur durende nieuwsmachine, moet je investeren in journalistieke diepgang. Daarmee kan je het verschil maken.” (Yves Desmet, De Morgen)

Meer analyserende en diepgravende artikels in kranten, dat is dus de boodschap!


Bronnen:

Our way or the highway

Ik wil het graag even hebben over het woordgebruik in mijn vorige blog. Wanneer we denken aan een digitale kloof, worden er twee groepen gecreëerd: de “haves” en de “have-nots”. Hierbij worden er twee tegenovergestelde categorieën tegenover elkaar gezet. Het probleem is dat dat weinig ruimte laat voor nuances, complexiteit of contextuele elementen.

Verder hebben we (oké, ik) tot nu toe de veronderstelling gemaakt dat één van deze posities wenselijker is dan de andere. Ik heb dus een normatief oordeel geveld en deze heb ik bovendien voorgesteld als vanzelfsprekend. Deze denkwijze wordt nog riskanter wanneer we het globaal gaan toepassen en kijken naar “het Westen” en “het Noorden”, waarin nieuwe media toegankelijker is dan in “het Oosten” en “het Zuiden” en automatisch veronderstellen dat het onze het streefdoel dient te zijn voor het hunne.

Etnocentrisme: een ver-van-mijn-bed-show?

Ik vind het moeilijk om mezelf als etnocentrisch te beschouwen, maar soms betrap ik mezelf toch op het wij-zij denken waar ik het in deze blog over wil hebben. Volgens Van Ginneken (2002) is dit niets om me voor te schamen – etnocentrisme zit in ons hoofd. Het is universeel. Het is één van de methodes die wij gebruiken om een zekere structuur aan te brengen in de chaotische wereld om ons heen. Samengevat gaat het over de creatie van een polariteit tussen onze eigen groep en “de anderen”, waarbij we onszelf zien als belangrijker, beter en juister.

Voorbeeld: in de populaire TV-serie “Lost” wordt er enkel naar het dreigende vijandsbeeld verwezen als “the others”.

De subjectiviteit van West en Noord, Oost en Zuid

Dit etnocentrisme wordt ook gereflecteerd in schijnbaar onschuldige woorden van ons taalgebruik. Zo zijn “noordelijke” en “westelijke” landen niet op natuurlijke wijze vastgelegd. Wij hebben dit, als mensen, zelf gekozen bij het tekenen en verspreiden van de wereldkaart. Er bestaan verschillende versies van wereldkaarten, die ook andere vormen van etnocentrisme tonen, maar in de (ons) bekendste wereldkaarten kan westers etnocentrisme worden teruggevonden. Onze kijk op de wereld is met andere woorden subjectief – en er bestaan nog veel andere perspectieven.

“De noordelijke landen staan bovenaan: ze worden letterlijk voorgesteld als ‘superieur aan de Zuidelijke landen, zo heet het, zij ‘domineren’ ze. De ‘meest ontwikkelde’ landen worden vaak links bovenin of midden bovenin geplaatst, hetgeen ze een soort ‘natuurlijk primaat’ lijkt te geven binnen die culturen die van boven naar onder en van links naar rechts lezen” (Van Ginneken, 2002)

    672.120_Wereldkaart_Staatkundig_MercatorWereldkaart_435_Lowres_0Wereldkaart_433_Lowres

Van Ginneken (2002) geeft nog andere voorbeelden, zoals de plaatsing van de nulmeridiaan, “het middelpunt” met “het nuluur”, in Engeland. Dit is op geen enkele manier natuurlijk bepaald. Mensen hebben dit gekozen. We maken bovendien subjectief gebruik van de termen West en Oost. Als de nullijn in Engeland ligt, hoort het grootste deel van Europa bij het Oosten, terwijl dat nooit op deze manier gezegd wordt – “het Oosten” is gereserveerd voor “hun”, niet voor “ons”. Bijklanken die we toeschrijven aan “het Oosten” zijn vaak woorden zoals overbevolkt, oud, donker, conservatief, sinister; wanneer we denken aan “ons” in “het Westen” denken we aan demogratisch, progressief, nieuw, verlicht, ruimdenkend (Van Ginneken, 2002).

Een ander voorbeeld van etnocentrisme vanuit het westen is door het rangschikken van rijke en arme landen als “eerste-”, “tweede-“ of “derdewereldlanden”. Er wordt een hiërarchie gebruikt bij termen als eerste, tweede, derde, … . Anders gezegd is de eerste wereld hoogontwikkeld en de derde wereld moet nog ontwikkelen (de tweede wereld zweeft ergens tussenbeide). We noemen deze derdewereldlanden dan ook “ontwikkelingslanden”.

Alternatieve termen

einclusion.hu

Dit is een patroon dat gevaarlijk dichtbij komt wanneer we spreken van in-group en out-group of haves en have-nots. Een alternatief is om te spreken van een continuüm van verschillende toegangsniveaus tot technologie. Wij, in het (zogenaamde) Westen, bevinden ons aan de “informatierijke” kant van het continuüm. Op globaal niveau is er een duidelijke ongelijkheid in de toegang tot informatietechnologie. Zo waren er in 2009 minder mensen van het Afrikaanse continent (waar bijna een biljoen mensen wonen) een internetabonnement dan in Frankrijk (met ongeveer 66 miljoen inwoners). In mijn vorige post hield ik een betoog voor het bevorderen van de toegang tot technologie in andere, vaak armere, landen. Technologie belichtte ik voornamelijk als catalisator voor sociale, politieke en/of economische veranderingen. Een valkuil hierbij is om deterministisch te gaan denken. Is onze manier de enige manier? Is technologie een noodzakelijke voorwaarde voor verandering?

Er moet steeds ruimte zijn voor nuancering. Zo bestaan er ook informatie want-nots. En dan heb ik het niet alleen over mijn grootmoeder. In plaats van de termen haves en have-nots, die normatieve implicaties hebben en de indruk geven van een simplistische wit-zwart situatie, kunnen we bijvoorbeeld spreken over technologische “zones van stilte” (Potter, 2006).


Bronnen

– Ganesh, S. & Barber, K.F. (2009). The silent community: Organizing zones in the digital

divide. Human Relations, 62(6), 851-874.

– Gunkel, D.J. (2003). Second thoughts: Toward a critique of the digital divide. New

Media & Society, 5(4), 499-522.

– James, J. (2005). The global digital divide in the Internet: Developed countries

constructs and Third World realities. Journal of Information Science, 31(2), 114-123.

– Potter, A.B. (2006). Zones of silence: A framework beyond the digital divide. First

Monday, 11(5), opgehaald van

http://firstmonday.org/htbin/cgiwrap/bin/ojs/index.php/fm/article/view/1327/1247

– Sassi, S. (2005). Cultural differentiation or social segregation? Four approaches to the

digital divide. New Media & Society, 7(5), 684-700.

– Servon, L.J. (2002). Bridging the digital divide: Technology, Community and Public

Policy. Malden, M.A.: Blackwell Publishing.

– Van Ginneken, J. (2002). De schepping van de wereld in het nieuws. De 100 vertekeningen die elk 1 percent verschil makn. Deventer: Kluwer.

– Afbeeldingen: http://www.kaartenenatlassen.nl, http://www.einclusion.hu

De digitale in-group en out-group

swwong1986.blogspot.com digital divide

“Exclusion occurs when individuals or social groups are left behind or do not benefit from equal opportunities to achieve societal goals” (Digital Inclusion Team, 2007)

De vorige posts op deze blog gingen voornamelijk over wat de impact van nieuwe media kan zijn voor mensen die hier gebruik van maken. Ik keek hiernaar door de ogen van iemand met bepaalde privileges. Ten eerste heb ik toegang tot nieuwe media – ik heb mijn eigen laptop, een bibliotheek vol met computers in het geval dat deze de geest geeft, en internetverbindingen in mijn onmiddellijke omgeving. Ik heb ook de kennis en capaciteiten meegekregen om hier gebruik van te maken. Voor mij is dit allemaal vanzelfsprekend. Voor jou waarschijnlijk ook. Het is gemakkelijk om hierbij een grote groep over het hoofd te zien, een groep waar wij niet rechtstreeks mee in aanraking komen omdat zij niet aanwezig zijn in de digitale wereld. Hun stem ontbreekt in globale online discussies, want zij zijn niet online.

E-ongelijkheden als sociale ongelijkheden 

Ik heb het natuurlijk niet enkel over degenen die niet willen online zijn – mijn oma bijvoorbeeld heeft hier geen boodschap aan. Zij weet wat mogelijk is en kiest ervoor hier niet aan te participeren. Sommige mensen kunnen deze keuze niet maken – of worden in deze keuze beperkt. Dimaggio en Hargittai (2001 merkten reeds 14 jaar geleden verschillende ongelijkheden op tussen groepen met betrekking tot nieuwe media. Samengevat hadden zij het over vijf mogelijke bronnen van ongelijkheid:

  1. Technologische middelen (inequality of bandwidth)
  2. Autonomie (whether users log on from home or at work, monitored or unmonitored, during limited times or at will)
  3. Capaciteiten (knowledge of how to search for or download information),
  4. Sociale ondersteuning (access to advice from more experienced users)
  5. Doelen (whether they use the internet for increase of economic productivity, improvement of social capital, or consumption and entertainment)

Wanneer we door een sociologische bril kijken naar deze ongelijkheid kan digitale exclusie gezien worden in het verlengde van sociale exclusie in een samenleving. In Marokko zijn bijvoorbeeld ongeveer 20% van de mensen tussen 19 en 24 jaar ongeletterd. Ongeletterdheid is typisch voor mensen van het platteland. Er is een socio-economische kloof tussen deze mensen en de stadsbevolking. Digitale exclusie kan reeds bestaande sociale ongelijkheden (op basis van onder andere geslacht, ethniciteit, leeftijd, opleiding, tewerkstelling, inkomen, woonsituatie, geografische locatie, handicaps, …) in stand houden en zelfs versterken (Helsper, 2008). Een groep die digitaal achtergesteld is kan niet op dezelfde manier gebruik maken van nieuwe technologieën als geprivilegieerden. Groepen met een sterkere positie in de samenleving kunnen zo gebruik maken van nieuwe media voor vooruitgang, terwijl anderen achterblijven.

E-inclusie door de overheid

E-inclusie kan dan weer leiden tot sociale inclusie door in te zetten op toegang tot technologie, maar ook op bijvoorbeeld de capaciteiten en sociale ondersteuning. Hierdoor kan een groep een betere positie verwerven binnen de economie en de knowledge society. E-inclusie kan met andere woorden een emanciperend effect hebben (Fischer, 2007). Sommige auteurs, zoals Weerakkody et al. (2012) spreken om deze redden niet graag van een “digital divide”, omdat dit de indruk geeft dat deze divide statisch en onveranderlijk is – wat niet waar is.

De “digitale kloof” of digital divide is één van de belangrijkste uitdagingen voor overheden die het gebruik van nieuwe media bij hun burgers overzien (Dimaggio & Hargittai, 2001). Volgens verschillende auteurs (zoals Al-shafi & Weerakkody, 2010 en Wang & Emurian, 2005) nemen steeds meer overheden ook stappen om betere en gemakkelijkere toegang te verschaffen tot nieuwe media. Dit wordt bevorderd door goedkope oplossingen zoals mobiele technologie, digitale TV en sociale media (Weerakkody et al., 2012). In Europa is e-inclusie bijvoorbeeld één van de drie pilaren van de i2010 (inclusion) strategic plan (Helbig et al., 2009).

“The European strategy is to ensure that the benefits of the information society can be enjoyed by everyone, including people who are disadvantaged due to limited resources or by education, age, gender, ethnicity, disability, and location” (i2010 European Strategic Plan, 2007).

Hierdoor kan de digital divide worden getransformeerd tot digital opportunity. In dit hoopvol toekomstbeeld worden de nieuwe informatie- en communicatietechnologieën niet alleen toegankelijk voor alle bevolkingsgroepen, maar wordt er speciale aandacht besteed aan degenen die het minste hebben – en dus het meeste kunnen winnen van zo’n situatie (Weerakkody et al., 2012). Zij worden hierbij toegelaten en wegwijs gemaakt in de knowledge society (Kaplan, 2005).

Ondanks deze beloften heeft dit process van e-inclusie in sommige landen niet plaats gevonden. Bentivegna en Guerrieri (2010) stelden zelfs vast dat de digitale kloof in sommige landen verbreedt.

Wordt vervolgd…


Bronnen

Bentivegna, S., & Guerrieri, P. (2010). Analysis of e-Inclusion impact resulting from advanced RandD based on economic modelling in relation to innovation capacity, capital formation, productivity and employment. Brussels, Belgium: European Commission.

Digital Inclusion Team. (2007). The digital inclusion landscape in England: Delivering social impact through information and communications technology. London: Digital Inclusion Team.

DiMaggio, P., Hargittai, E., Celeste, C., & Shafer, S. (2004). Digital inequality: From unequal access to differentiated use. In K. Neckerman (Ed.), Social inequality (pp. 355–400). New York: Russell Sage Foundation.

Helbig, N., Ramón Gil-García, J., & Ferro, E. (2009). Understanding the complexity of electronic government: Implications from the digital divide literature. Government Information Quarterly, 26(1), 89–97.

Helsper, E. J. (2008). Digital inclusion: An analysis of social disadvantage and the information society. London: Department for Communities and Local Government.

i2010 European Strategic Plan (2007). i2010 – A European information society for growth and employment. Afgehaald van http://ec.europa.eu/information_society/eeurope/i2010/index_en.htm

Kaplan, D. (2005). E-Inclusion: New challenges and policy recommendations. Brussels, Belgium: eEurope Advisory Group.

Vishanth Weerakkody , Yogesh K. Dwivedi , Ramzi El-Haddadeh , Ahlam Almuwil & Ahmad Ghoneim (2012). Conceptualizing E-Inclusion in Europe: An Explanatory Study, Information Systems Management, 29:4, 305-320, DOI: 10.1080/10580530.2012.716992.

http://swwong1986.blogspot.com (afbeelding)