Staat er in de toekomst een betaalmuur tussen lezers en online nieuws?

paywall

December 2014, en het zijn besparingen die de klok slaan. De crisisjaren hebben hun sporen achtergelaten, ook in de mediasector. De sector zit tegelijkertijd in een transitieperiode sinds nieuwe media zich is beginnen mengen in de markt. Traditionele nieuwsbronnen moeten plots concurreren met het internet als bron van nieuws en informatie. In veel OESO landen nemen het aantal kranten dat gedrukt wordt, hun verspreiding en hun aantal lezers af (OECD, 2010, p. 17). De bestaande verdienmodellen staan onder druk, waardoor de vraag wordt gesteld of er nieuwe manieren zijn om geld te laten binnenstromen in de media. Hiervoor wordt bijvoorbeeld gekeken naar een hervorming van het tot nu toe overwegend gratis aanbod van online nieuwsartikelen.

Hoe stelt de verkoop van papieren kranten het?

De verkoop van papieren kranten daalt – dit is een trend die het sterkst zichtbaar is in de Verenigde Staten. Grote mediafiguren in de VS zoals het hoofd van MediaNews Group, één van de grootste mediaketens van de VS, zien papieren kranten als iets van het verleden en investeren volop in digitale nieuwsstromen (New York Times, 14/11/2011). In België doen de papieren kranten het beter dan in de VS, maar dezelfde trend is zichtbaar. In 2012 was er in Vlaanderen een verkoopsachteruitgang van 7% ten opzichte van 2001. In Wallonië was er een achteruitgang van 30% (www.cim.be). Ook de magazinemarkt heeft het moeilijk – de verkoop vermindert, net als de advertentie-inkomsten (De Morgen, 19/12/2014, p.4). Sanoma, de Finse mediagroep achter onder andere de Belgische magazines Humo en Flair, kampt bijvoorbeeld al langere tijd met financiële moeilijkheden.

Is een betaalmuur de oplossing?

Online vinden lezers – gratis – artikelen van kranten vanuit de hele wereld. Nieuws is gemakkelijker, sneller en goedkoper beschikbaar dan ooit tevoren (OECD, 2010, p. 17). Op sociale media zoals Twitter of Facebook (met de slogan “it’s free and always will be”) worden we overspoeld door informatie.

FB Free and always will be

Voor lokale persagentschappen is het niet altijd duidelijk hoe zij hiermee kunnen concurreren. Één idee is dat van de betaalmuur. In de Verenigde Staten hebben 450 kranten reeds een betaalmuur of pay wall ingebouwd. Hierover zei een tevreden Paul Smurl van de New York Times het volgende:

De resultaten van de paid content strategie hebben onze verwachtingen overtroffen”, zo meldde Smurl in Londen: “Het aantal ‘digital only’ abonnees bedroeg eind 2012 640.000 en blijft groeien. Daarnaast hebben 920.000 abonnees van de papieren krant een gratis digitale account aangemaakt. De groei van de inkomsten uit online content compenseert meer dan de daling van onze inkomsten uit de papieren krant.” (www.mediafact.nl)

Echter, volgens onderzoek op basis van een ondervraging van 27.000 gebruikers uit 52 verschillende landen (Nielsen, 2010) is er een minderheid aan lezers die zou (overwegen te) betalen voor online nieuwsartikels. Bovendien blijkt uit onderzoek door de Boston Consulting Group (2009) dat zij die willen betalen niet evenveel willen geven voor het digitaal aanbod van een krant als voor het papieren aanbod. Momenteel is er sprake van een nieuws overload. Overal is nieuws te vinden. Indien een nieuwssite betalend werd, denk ik dat een heleboel lezers één van de vele andere nieuwsbronnen zou kiezen. Één dat niet om betaling vraagt. Een mogelijke repliek hierop is dat de nieuwssite achter de betaalmuur unieke, kwaliteitsvolle inhoud moet aanbieden. Deze meerwaarde kan voor sommigen een betaling waard zijn. Volgens een onderzoek door de Boston Consulting Group (2009) zijn mensen bereid te betalen voor online nieuws indien dit uniek, actueel (continu geüpdate) en makkelijk beschikbaar is. Nieuwsmedia dienen in dit verhaal te mikken op een harde kern van lezers die hiernaar op zoek zijn en bereid zijn hiervoor te betalen, in plaats van op de grote massa.

Gratis borrelnootjes, betalen voor de hoofdschotel

Mogelijke strategieën om lezers te lokken zijn bijvoorbeeld door gebruik van een “metered paywall” of betaalmuur met gaten. Hierbij krijgt de lezer al een “voorproefje”, doordat een aantal artikelen gratis zijn. De gedachte hierachter is dat lezers hierdoor geprikkeld genoeg zijn om te betalen voor de rest. De New York Times maakt hier gebruik van sinds januari 2011: lezers botsen na tien artikels per vier weken op de betaalmuur (www.mediafacts.nl). Ook De Tijd gebruikt deze methode. Een ander “lokmiddel” is om het betaalsysteem eenvoudig te houden, met de mogelijkheid tot micro payments voor korte periodes of per artikel. Zo wordt de drempel verlaagd.

Kwaliteit – niet voor iedereen?

Betalen voor kwaliteitsvol nieuws is niet voor iedereen. De harde kern die hiervoor zou betalen is vermoedelijk hoger opgeleid, opgegroeid met kranten, en financieel stabiel. Met andere woorden, mensen met een hogere socio-economische status. Een ethische afweging die moet worden gemaakt is of het wenselijk is om kwaliteitsvol nieuws in de toekomst te houden voor deze geprivilegieerde groep, en ze ondertussen af te schermen van de rest van het volk. Paul Smurl van de New York Times zei hierover:

“We zullen in 2013 en daarna zeker nieuwe, extra betaalproducten tegen lagere prijzen introduceren, om een publiek aan te trekken met een hogere prijssensitiviteit. Natuurlijk moeten we voor die groep ons aanbod voldoende differentiëren ten opzichte van de online abonnees die meer betalen, zodat zij niet massaal op goedkopere proposities overstappen.”

Er blijft dus, als het van hem afhangt, een kwaliteitsverschil in het nieuws, afhankelijk van de prijs die ervoor betaald wordt. De betaalmuur riskeert zo een muur op te zetten en de bevolking te splitsen in twee groepen: de “information haves” en de “information have-nots” (OECD, 2010, p. 103).


Bronnen

Boston Consulting Group (2009). Willingness to pay for news online: Key findingd from an international survey. BCG Technology, Media & Telecommunications.

Carr, D. (2011). Newspapers’ Digital Apostle. The New York Times, 14/11/2011, p. 1.

Desmet, L. (2014). Sanoma City wordt Hollands. De Morgen, 19/12/2014, p. 4. De Persgroep Publishing.

Nielsen Company (2010). Changing models: a global perspective on paying for content online. http://www.nielsen.com/us/en/insights/news/2010/changing-models-a-global-perspective-on-paying-for-content-online.html

OECD (2010), “Introduction”, in News in the Internet Age: New Trends in News Publishing, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/9789264088702-3-en

OECD (2010), “The Future of News Creation and Distribution: Opportunities and Challenges”, in News in the Internet Age: New Trends in News Publishing, OECD Publishing. http://dx.doi.org/10.1787/9789264088702-7-en

http://www.cim.be

http://www.mediafacts.nl/nieuws/new-york-times-blijft-investeren-in-online-betaalmuur/ (geraadpleegd op 19/12/2014)

(www.canadianbusiness.com: afbeelding)

Blogs met een impact: Lina Ben Mhenni en Malala Yousafzai

We can blog it

Bloggen is in. Wat kunnen blogs betekenen voor individuen of zelfs voor gemeenschappen, landen of de wereld? Het waren bloggers die de wereld op de hoogte hielden tijdens de burgerprotesten die de Arabische lente inluidden. We weten niet of de Arabische lente wel zou hebben plaatsgevonden indien zij dit niet hadden gedaan. Hun stemmen hebben ons bereikt dankzij de wereld van de blog. Iedereen kan bloggen. En wat kunnen blogs?

Terugkeer naar vóór de massamedia

Bloggen is niet per se nieuw, er werd al geblogd in de jaren ’90. Vanwaar komt de exponentiële groei van blogs op het internet de laatste jaren? Het kan geplaatst worden in het verlengde van een bredere evolutie binnen nieuwe media. Sommigen spreken van een nieuw “tijdperk”. Waar in het vorige tijdperk, web 1.0, informatie werd gedeeld op een statische manier en in één richting, is het nu anders. Bij web 2.0 zijn steeds meer pagina’s sociaal en wordt inhoud in twee richtingen gegenereerd. De gebruiker participeert op een actieve manier. Denk bijvoorbeeld aan Wikipedia, Youtube, of Twitter. Standage (2013) benadrukt dat deze participatie terug aansluit bij het tijdperk van voor de massa-media. We keren terug naar een systeem waarin een wisselwerking de norm is.

New media is very different from old media, but has much in common with ‘really old’ media.” (Standage, 2013, p. 240)

Of het web 2.0 of de blog eerst was, weet ik niet, maar wel dat ze beide bloeien in 2014. “Gewone” (en minder gewone) mensen gaan massaal aan het bloggen, zij het over de actualiteit, hobby’s of gewoon over hun eigen leven in dagboekstijl. Het biedt een kans aan iedereen om het over het nieuws te hebben, en opent zo deuren voor burgerjournalistiek.

Lina Ben Mhenni

Waar ik even over wil spreken is over de impact die blogs kunnen hebben wanneer ze op hun krachtigst zijn. Dit ga ik niet doen op abstracte wijze, maar wel door twee inspirerende voorbeelden aan te halen. Iemand die dankzij haar blog de wereld rond is gelezen is Lina Ben Mhenni. Deze Tunesische vrouw hield een blog bij met de naam “A Tunisian Girl”. Toen de burgerprotesten uitbraken rapporteerde zij hierover op haar blog. Haar doel was om het geweld van de overheid bij het reageren op deze protesten bekend te maken. Ze ging naar ziekenhuizen en verspreidde foto’s en video’s van gewonde burgers. Doorheen haar blog gaf ze vitale informatie door aan activisten doorheen Tunesië. Bovendien bracht zij de rest van de wereld op de hoogte van het geweld dat plaatsvond in haar land. Ze ontving later de Deutsche Welle International Blog Award en El Mundo’s International Journalism Prize. Ze werd verder in 2011 genomineerd voor de Nobelprijs van de Vrede. Lina Ben Mhenni heeft met haar blog niet enkel haar eigen leven veranderd, maar ook dat van vele anderen.

Malala Yousafzai

Iemand anders die genomineerd werd voor de Nobelprijs van de Vrede voor haar blog, en deze ook kreeg eerder dit jaar, is de Pakistaanse tiener Malala Yousafzai. Ook zij schreef haar blog in tijden van lokale onrust. In 2009 schreef zij voor de BBC een dagboek over haar leven in een stad die gecontroleerd werd door de Taliban. Zij deed dit om aandacht te krijgen voor een probleem van haar en de andere meisjes in haar stad: de Taliban verbood hen naar school te gaan. Malala was 11 jaar toen ze haar blog schreef.

“I had a terrible dream yesterday with military helicopters and the Taliban. I have had such dreams since the launch of the military operation in Swat. I was afraid going to school because the Taliban had issued an edict banning all girls from attending schools. Only 11 students attended the class out of 27.” (Yousafzai, 2009)

In 2012 werd Malala neergeschoten door een lid van de Taliban, maar overleefde. Deze bijna fatale aanslag heeft haar passie niet geremd. Ze vecht nog steeds voor het recht van meisjes op onderwijs – in haar stad en overal. Malala haar verhaal ging de wereld rond. Voor veel Pakistanen is ze een symbool geworden van het verzet tegen de Taliban. Als je haar nog niet kent, moet je haar zeker eens opzoeken. In het onderstaande filmpje kan je haar alvast eens aan het woord horen:


Bronnen

Sandage, T. (2013). Writing on the wall: social media the first 2000 years. London: Bloomsbury.

http://atunisiangirl.blogspot.be/

http://www.bbc.com/news/magazine-19899540

http://www.postworksavvy.com (afbeelding “we can blog it”)

http://en.wikipedia.org/wiki/Lina_Ben_Mhenni

http://en.wikipedia.org/wiki/Women_in_the_Arab_Spring

http://nl.wikipedia.org/wiki/Malala_Yousafzai

Wat vinden we NIET via Google?

Dankzij het internet ligt er een wereld aan informatie aan onze voeten – aan onze vingertoppen eigenlijk. Waar gaan we heen wanneer we informatie willen zoeken op het internet? Voor mij is het antwoord er onmiddellijk: ik surf even naar Google. Vogens een onderzoek door Keel en Bernet (2005) gebruiken journalisten Google in 97% van de gevallen als zoekmachine. Dit is nochtans niet de neutrale keuze die het lijkt te zijn. Google biedt ons geen originele data aan: er wordt gewoon verwezen naar iets anders dat al online gepubliceerd werd. Dit heet de self-referentiality van het internet. Tussen de bestaande websites wordt een rangschikking gecreëerd, die ons klikgedrag gaat beïnvloeden, en zo ook de informatie waar we (niet) aan blootgesteld worden.

Hoe belangrijk is het internet voor journalisten?

Nieuws zoeken, en vooral ook ve-ri-fi-ce-ren! Het nauwgezet checken van informatie en bronnen is één van de belangrijkste werkprincipes van journalisten. Hoe kunnen journalisten anders waarheidsgetrouwe informatie aanbieden? Journalisten spenderen gemiddeld 43% van hun werkdag aan onderzoek. 46,7% van deze tijd, het grootste deel, werd besteed aan het zoeken en selecteren van aanvullende bronnen en informatie. Slechts 5,5% (of 11 minuten) van de tijd wordt gespendeerd aan verifiërend onderzoek (Machill & Beiler, 2009). Hiervoor zijn zoekmachines, of search engines, op het internet het belangrijkst. Volgens deze zelfde studie gebruiken journalisten hiervoor het meest van de tijd de telefoon en andere “traditionele” zoekinstrumenten. Het internet wordt aanvullend op “traditionele” middelen zoals de telefoon gebruikt wanneer dit de efficiëntie kan verhogen (Machill & Beiler, 2009). Uit het onderzoek bleek ook dat er minder tijd wordt besteed aan het internet dan aan traditionele zoekinstrumenten. Een verklaring hiervoor is het verschil in efficiëntie.

Google-ization

Waar er voor de komst van het internet en andere nieuwe communicatiemiddelen tijd werd besteed aan het verzamelen van informatie, is er nu eerder sprake van een information overload, waarbinnen er gericht gezocht moet worden. Kunnen kiezen en selecteren uit het aanbod is de regel, niet de uitzondering. Het internet kan gebruikt worden om dit tijdsefficiënter te maken door middel van search engines of zoekmachines. In het Duitse onderzoek van News aktuell (2002) bleek dat 82% van de zoekopdrachten op het internet gebruik maakte van zoekmachines. Zoekmachines, waarvan Google de voornaamste is, worden vooral gebruikt voor het vinden van informatiebronnen. Op deze manier hebben search engines een grote impact op de informatie die journalisten vinden. Verder bleek dat veel van de journalisten uit het onderzoek slechts een beperkt aantal search engines gebruiken voor het vinden van al hun informatie (Machill & Beiler, 2009). Uit het onderzoek van Keel en Bernet (2005) bleek zelfs dat er slechts in 3% van de gevallen andere zoekmachines dan Google werden gebruikt. Volgens Machill en Beiler kunnen we spreken van een Google-ization.

Selecties door Google

Belangrijk om even bij stil te staan is dat er ook bij Google wordt geselecteerd! Waarheen zal het ons verwijzen? Welke informatie wordt aangeboden? In welke volgorde? Dit gebeurt niet arbitrair, maar door het gebruik van selectieprocessen en algoritmes. Wat het meest gekend is, het meest gevestigd en het meest geciteerd zal bovenaan staan. Hierdoor wordt op deze links het vaakst geklikt. De cirkel is rond: de positie van de link wordt verstevigd. De volgende die op zoek is naar hetzelfde thema krijgt opnieuw dezelfde weblinks voorgeschoteld. Tegelijkertijd hebben bepaalde websites (en de hierop beschikbare informatie en perspectieven) geen kans om vanboven aan de Google-lijst te prijken (Machill & Beiler, 2009). We kunnen dit vergelijken met het psychologische concept confirmation bias. Confirmation bias verwijst naar de neiging van mensen om te zoeken naar en aandacht te besteden aan informatie die bevestigt wat we al weten/kennen. Tegelijkertijd hebben we de neiging om informatie die deze gevestigde ideeën tegenspreken te negeren. Door de selecties van Google kan er een scheeftrekking ontstaan in het beeld dat gevormd wordt over een bepaald thema (Machill & Beiler, 2009).

Rond en rond

Theofielen (mensen die overtuigd zijn van de positieve meerwaarde van het internet) zeggen dat het internet mogelijkheden biedt voor innovatie en om voordien ongehoorde stemmen te verspreiden. Maar dit lijkt eerder een utopie dan de realiteit. Nieuwsmedia nemen artikels van elkaar over, Google stuurt ons steeds naar de populairste informatie, en afwijkende meningen hebben de neiging te verdwijnen in de massa. Bijna altijd wordt door iedereen hetzelfde beperkte aantal bronnen gebruikt. De informatie wiens positie steeds wordt verstevigd, laten we het de “elite-informatie” noemen, verwijst naar gelijkaardige sites, en uiteindelijk gaan we rond in een cirkeltje zonder ooit op iets nieuws te stoten.


Bronnen:

Keel & Bernet (2005). Journalisten Im Internet 2005. Eine Befragung vond Deutschschweizer Medienschaffenden zum beruflichen Umgang mit dem Internet, http://www.iam.zhwin.ch/download/Studie_2005.pdf.

Machill & Beiler (2009). Journalism Studies, Vol. 10, No 2, 178-203. Routledge Taylor & Francis.

News Aktuell (2000). Media Studie 2000, http://www.newsaktuell.de/de/mediaevents/mediastudie.htx.

News Aktuell (2002). Media Studie 2002, http://www.newsaktuell.de/de/mediaevents/mediastudie.htx.

News Aktuell (2007). Media Studie 2007, http://www.newsaktuell.de/pdf/mediastudie2007.pdf.

Hoeveel invloed mogen “burgerjournalisten” hebben op het nieuws?

Wanneer journalisten artikels publiceren via traditionele media zoals de radio of de krant, is de inbreng van het publiek beperkt. De communicatie verloopt in één richting. Dit is veranderd sinds journalisten gebruik maken van nieuwe media. Iedereen kan reageren hoe ze maar willen op bijvoorbeeld tweets van de redactie van De VRT. Bovendien nemen veel burgers het op zich om nieuws te verspreiden (zonder hierbij gebonden te zijn aan de deontologische code voor journalisten). Ook deze vorm van nieuws bereikt het grote publiek. Deze verschuiving brengt zowel ethische risico’s als mogelijkheden met zich mee (Ward & Wasserman, 2010).

Een paar ethische vraagstukken

1. Mag informatie worden overgenomen door professionele journalisten?

Journalisten werken aan de hand van deontologische codes (waaronder de Vlaamse Code voor de Journalistiek en de internationale Code van Bordeaux). Hierin werden ethische waarden en bijhorende grenzen vastgelegd. Deze code werd echter niet opgesteld met het oog op nieuwe, interactieve online media. Hierdoor zijn een aantal ethische kwesties (nog) va(a)g(er) te beoordelen dan bij nieuwsberichtgeving door middel van traditionele nieuwsmedia. Wat moeten of mogen journalisten bijvoorbeeld doen met teksten en beelden die het publiek aanbrengt? Het publiek verwacht dat nieuws onmiddellijk wordt aangeleverd door journalisten. Door die druk om zeer actueel te zijn, wordt de stap kleiner om zonder grondige verificatie informatie over te nemen en te publiceren als “nieuws”. Onmiddellijkheid krijgt op deze manier voorrang op de deontologische waarde van waarheidsgetrouwheid. Wanneer alles sneller moet gaan, kunnen naast de waarheidsgetrouwheid ook de transparantie, eerlijkheid, onafhankelijkheid en objectiviteit in het gedrang komen.

2. Wat met ongewenste participatie?

Naast het aanreiken van nieuwe informatie kunnen niet-journalisten ook kritisch reageren op journalisten. Bovendien bereiken deze reacties niet enkel journalisten maar ook elkaar.  Op de facebookpagina “Slechte Vlamingen”, met meer dan vijfduizend leden, wordt er bijvoorbeeld regelmatig kritiek geuit op de overheid én over de mediaberichtgeving hierover. Zo werd er opgemerkt dat het leek alsof de media hoopte op rellen tijdens de nationale betoging van 24/11/2014. Zij verweten de media ervan sensatiebelust en eenzijdig te zijn.

10678853_10205052847859515_8231626657449293488_n

Mogen journalisten reageren op ongewenste reacties? Mogen zij deze misschien zelfs weghalen als ze op hun nieuwssite worden gepubliceerd? Blijven ze op deze manier onpartijdig en objectief?

Richtlijnen voor betekenisvolle, ethische participatie

Door de mogelijkheden van nieuwe media kunnen burgers participeren, worden diverse perspectieven vertegenwoordigd en zijn journalisten beter op de hoogte van wat er leeft bij hun publiek. De hierboven benoemde dilemma’s zijn slechts een paar voorbeelden van ethische vraagstukken met betrekking tot “burgerjournalistiek”. Een antwoord hierop kan zijn om een nieuwe set aan ethische richtlijnen, aangepast aan de nieuwe situatie, te verspreiden onder journalisten. Op deze manier kan er gestreefd worden naar betekenisvolle en ethische participatie.

Niet iedereen is het echter eens over de toegevoegde waarde van zo’n code. Volgens de ondervraging van zestig experts door Van der Wurff en Schönbach (2010) is zijn er ten eerste geen beduidend verschillende verschillen in de ethische problemen bij journalistiek op nieuwe media. Ten tweede verschilt de journalistieke werkwijze niet genoeg per informatiekanaal volgens hun. Een aparte online code zou dan niet praktisch zijn aangezien journalisten vaak tegelijkertijd verschillende media gebruiken bij hun werk. Online journalistiek moet gewoon, net als traditionele journalistiek, feitelijk en actueel zijn, maar ook zorgvuldig, waarheidsgetrouw, onafhankelijk, evenwichtig, begrijpelijk en transparant (Van der Wurff & Schönbach, 2010).

Hierbij valt de vernoeming van de waarde “transparantie” in het bijzonder op, aangezien dit niet in veel journalistieke codes wordt vermeld. Van der Wurff en Schönbach (2010) vermoeden dat deze norm aan belang heeft gewonnen door de opkomst van een mondiger, participerend maar ook meer wantrouwend publiek. Een update van de huidige deontologische codes heeft voor deze experts dus de voorkeur boven een aparte code.

Anderen stellen dan weer dat specifieke normen kunnen bijdragen aan ethische burgerparticipatie in het nieuws, waaronder Ward en Wasserman (2010). Zij stellen dat onder andere hospitality en sincerity hierin moeten worden opgenomenZe baseren zich hiervoor op enkele filosofen. Ten eerste halen ze de bekende stelling van Habermas (1998) aan dat discourse in de public sphere inclusief en gelijk moet zijn. De public sphere bestaat uit de samenstelling van alle individuele personen. Gitlin (1998) maakt hierop de aanvulling dat we wellicht niet moeten spreken over één public sphere maar wel over public sphericules. Ward en Wasserman vinden dit relevant voor de discussie over online participatie aangezien het Internet bestaat uit een gefragmenteerd netwerk.

  • Hospitality: de media moet openstaan voor alle stemmen die er leven onder de bevolking, ook degenen die ingaan tegen hun eigen ethiek ingaan. Dit niet enkel op passieve wijze maar ook door actief op zoek te gaan naar stemmen die niet vaak gehoord worden. Hierbij verschilt hun mening van de experts uit het eerder vermelde onderzoek door Van der Wurff en Schönbach (2010). Volgens hen is het op voorhand screenen van deze bijdragen door de experts, de journalisten en redacteurs dus, zowel mogelijk als wenselijk. Hierbij kunnen zij “verkeerde reacties”, die bijvoorbeeld onnodig kwetsend of irrelevant zijn, weglaten.
  • Sincerity: deze participatie en gedeeltelijke machtsverschuiving naar het publiek mag niet slechts schijn zijn. Wanneer er bijvoorbeeld op voorhand gefilterd wordt door de professionelen, wat door velen als wenselijk wordt beschouwd, blijven zij de hegemonie in stand houden.

Zelf sluit ik me eerder aan bij de mening van Ward en Wasserman. Door richtlijnen op te stellen voor specifieke dilemma’s die bij nieuwe media te kijken komen, kan er duidelijkheid verschaft worden waar er verschillende meningen bestaan. Bovendien wordt de procedurele transparantie en eerlijkheid van het werk van journalisten op deze manier verhoogd.


Bronnen:

  • Foreman, G. (April 10, 2013). Journalism ethics in the digital age. Opgehaald van http://journalism.uark.edu/wp/?p=2723
  • Gitlin, T. (1998), ‘Public Spheres or Public Sphericules’, in T. Liebes and J. Curran
    (eds.), Media, Ritual and Identity, London: Routledge, pp. 168–74.
  • Habermas, J. (1998). The inclusion of the other (C. Cronin & P. De Greiff, Eds.). Cambridge, MA:
    MIT Press.
  • Merrill, J.C. (2011). Overview: Theoretical foundations for media ethics. In A.D. Gordon, J.M. Kittross, J.C. Merrill, W.A. Babcock, Dorsher, M. (Eds.), Controversies in media ethics (3rd ed.) (pp. 3-32). New York: Routledge.
  • Van der Wurff, R. & Schönbach, K. (2010). Wenselijkheid en haalbaarheid van een aparte gedragscode voor online journalistiek: Resultaten van een Delphi-studie. Amsterdam: The Amsterdam School of Communications Research ASCoR.
  • Ward, S.J.A. (s.d.). Digital media ethics. Opgehaald van http://ethics.journalism.wisc.edu/resources/digital-media-ethics/
  • Ward, S.J.A., & Wasserman, H. (2010). Towards an open ethics: Implications of new media platforms for global ethics discourse. Journal of Mass Media Ethics, 25, 275-292.
  • Zion, L., & Craig, D. (Eds.). (2015). Ethics for digital journalists: Emerging best practices. New York: Routledge.
  • https://www.facebook.com/groups/139896139408840/?fref=ts
  • http://www.sparknotes.com/philosophy/public/summary.html

Mediagebruik door jongeren: technofielen versus technofoben

Twintig jaar geleden is het allemaal begonnen: het commerciële internetgebruik zoals wij dat vandaag kennen. Een dag zonder e-mail, Google of Facebook is voor veel van ons als een dag zonder middagmaal – hoogst uitzonderlijk, en we halen de achterstand zo snel mogelijk weer in. Met “ons” bedoel ik vooral degenen die geboren zijn in of na de jaren ’80 en dus zijn opgegroeid met toegang tot computers en internet. Deze groep wordt ook wel de digital natives of de millenials genoemd. Maar wat betekent dit voor de generatie die is opgegroeid met internet, smartphones en ipads? Maken smartphones gebruikers dom?

children-and-technology

 

Mediagebruik in het onderwijs

Hoe enorm de groei van het internet sinds de jaren ’90 is geweest wordt pas echt duidelijk wanneer we de cijfers bekijken. In 1995 waren er ongeveer vier miljoen computers met toegang tot het internet. In 2000 waren dit er 100 miljoen, en vandaag zijn er ongeveer 900 miljoen apparaten (computers, tablets,… ) actief op het internet. Nieuwe media maken voor steeds meer mensen een steeds groter deel uit van hun leefwereld. Dit geldt vooral voor de nieuwe generaties, die er van kinds af aan mee vertrouwd geraken. In scholen wordt hierop ingespeeld: nieuwe media (technologieën) worden in het onderwijs steeds meer gebruikt als leerinstrumenten. In de meeste staten van de VS werd pen en papier geschrapt van het leerplan van de lagere school. Er wordt massaal ingezet op een nieuwe manier van les geven en krijgen: door middel van computers, tablets en het internet. Technofielen, ook wel technopositivisten of utopisten genoemd, zien vooral de positieve kanten van deze ontwikkeling. Zij vinden dit de manier voor de toekomst, die voor innovatie en verbetering zal zorgen. Er wordt meer informatie aangeboden, die bovendien sneller bereikt kan worden. Dit geldt bovendien voor verschillende groepen, (meestal) onafhankelijk van hun geslacht, ethniciteit of socio-economische status. Iedere persoon kan daardoor zelf bepalen welke informatie hij belangrijk vindt en kan zo tot zijn eigen conclusies komen. Prensky (2001) zegt dat digital natives bovendien een compleet nieuwe set aan cognitieve capaciteiten en leerstijlen hebben ontwikkeld. Leren is niet langer een lineair, individueel proces waarbij informatie wordt verzameld vanuit één bron. In plaats hiervan wordt er collectief naar informatie gezocht, dewelke dan wordt gefilterd en uiteindelijk tot een synthese gebracht.

Hoewel, er is ook een andere kant van het verhaal, dat minder verteld wordt. Volgens onder andere Njenga en Fourie (2008) worden de voordelen van mediagebruik in scholen vooral belicht door technopositivisten met een eigen economische, sociale, politieke of andere agenda. Hierbij halen ze bijvoorbeeld een quote van Apple aan: “At Apple, we believe the effective integration of technology into classroom instruction can and will result in higher levels of student achievement”. Volgens Njenga en Fourie wordt er lesgegeven met gebruik van media (technologie), maar niet voldoende over media (technologie).

Digitale dementie

De vele onderzoeken en publicaties over invloeden van het opgroeien als digitial native verraadt het vermoeden dat opgroeien met nieuwe media en nieuwe media technologie mensen verandert. Deze groep zou fundamenteel verschillen van degenen die geboren werden voor 1980, ofwel de “digital immigrants”.

Veelvuldig internetgebruik, of zelfs internetverslavingen, kunnen zorgen voor persoonlijke en professionele problemen, bijvoorbeeld wanneer er tijd wordt verspild of mensen op hun werk/werk afgeleid zijn en minder productief worden. Psychiater Manfred Spitzer (2013) gaat echter nog verder. Volgens hem maakt mediagebruik op jonge leeftijd de hersenen lui. Hij vergelijkt dit met het gebruik van auto’s: dankzij de snelheid en het gebruiksgemak gebruiken we auto’s wanneer we eigenlijk ook te voet of met de fiets hadden kunnen gaan. De auto neemt al het werk over, waardoor onze benen minder sterk worden. Op dezelfde manier nemen computers, digitale media en TV werk over van de hersenen. Dit heeft vooral grote gevolgen voor hersenen die nog in ontwikkeling zijn. Kinderen dienen, volgens Spitzer, zoveel mogelijk te werken met pen en papier – hierdoor onthouden ze dingen beter. Ook het lezen van boeken is volgens hem dé manier om kinderen te laten lezen. Bij het online lezen van teksten kan er doorgeklikt worden van de ene website naar de andere, wat niet zou bijdragen aan het leerproces van kinderen. De “digitale dementie” die volgens hem tot stand komt bij deze e-generatie is volgens hem bijzonder moeilijk om te keren. Daarom noemt hij het gebruik van computers op jonge leeftijd zelfs misdadig. Klik op deze link om Spitzer aan het woord te horen over digitale dementie.

De jeugd van tegenwoordig

Veranderingen van tradities roepen vaak weerstand op. De opkomst van TV en de blootstelling aan geweld die dit met zich meebracht werd bijvoorbeeld ook beantwoord met angst over de invloed hiervan op de nieuwe generatie. Dit debat doet denken aan de spreekwoordelijke “jeugd van tegenwoordig” in contrast met het geloof dat alles vroeger beter was. Spreken over de problematische jeugd van tegenwoordig heeft altijd bestaan, zoals geïllustreerd wordt in de onderstaande quote:

“De jeugd van tegenwoordig houdt alleen maar van luxe, heeft slechte manieren en veracht de autoriteit. Zij heeft geen respect    voor oudere mensen. De jeugd verpraat de tijd terwijl er gewerkt moet worden, schrokt bij de maaltijden het voedsel naar binnen, legt de benen over elkaar en tiranniseert de ouders…” (Socrates, 469 v.C. – 399 v.C.).

Persoonlijk heb ik dan ook de neiging om waarschuwingen zoals die van Spitzer met een korrel zout te nemen. Tegelijkertijd kunnen de vele onderzoeken over de effecten van mediagebruik niet zomaar genegeerd worden. Er valt nog veel te leren en onderzoeken over dit thema. Ondertussen hou ik het zelf bij het motto: alles in moderatie.


Bronnen:

Carpenter, B.E. (2013). Network Geeks: How They Built the Internet. Dordrecht: Springer.

Margaryan, A., Littlejohn, A. & Vojt, G. (2010). Are digital natives a myth or reality? University students’ use of digital technologies. Unpublished dissertation, Caledonian Academy, Glasgow, UK.

Njenga, J.K. & Fourie, L.C.H. (2010). The myths about e-learning in higher education. British Journal of Educational Technology, 41(2), 199-212.

Prensky, M. (2001). Digital natives, digital immigrants: do they really think differently? On the Horizon, 9(6), 1–6.

Spitzer, M. (2013). Digitale dementie. Amsterdam: Atlas Contact.

http://www.knack.be/nieuws/belgie/computers-op-school-zijn-misdadig/article-normal-98355.html

http://datanews.knack.be/ict/digitale-dementie-gebrek-aan-structuur-en-durf/article-opinion-276729.html

http://www.lonerwolf.com (afbeelding)